zondag 16 december 2007

Vrouw vermist

Het is een koude avond in december. Buiten is het onder nul, on-Nederlandse temperaturen, niet tegen te kleden ook. Ik sta op een koud en tochtig perron. Om me heen duiken mensen ver weg in hun jassen, shawls komen tot hun neuzen. Neuzen die licht geven, alles staat op rood. In de verte zie ik gele lampjes langzaam op me afkomen. De trein rijdt het station binnen, samen met de anderen baan ik me een weg door de uitstappende mensen de trein in. Een collega wacht me al op: "Zeg maar Paul", zegt hij met een vet Rotterdams accent. Ik stel me voor, glimlach vriendelijk en loop achter hem aan ons hokje in. De man zit vol met verhalen, de ergste zelfmoorden passeren de revue. Niet dat ik daar behoefte aan heb, niet dat hij daar rekening mee houdt. Ik probeer door mijn korte antwoorden aan te geven dat ik er echt geen zin in heb. Dat weerhoudt hem er niet van de meest gore details te vertellen. Met een uitgestreken gezicht vertelt hij me alles, dingen waar een gemiddelde slager al een rolberoerte van zou krijgen. Net als ik me even op de wc wil terug trekken om alles op een rijtje te zetten, wordt er op de deur geklopt. Voor de deur staat en meneer van middelbare man ons paniekerig aan te kijken. "Ik ben mijn vrouw kwijt...", zegt hij terwijl hij zijn neus ophaalt. Ik kan met moeite een glimlach onderdrukken. "Ze is in Amsterdam naar de wc gegaan, maar niet terug bij ons komen zitten" De conducteur zit een beetje met de situatie verlegen en doet geen moeite dat te verbergen. "Is uw vrouw op de trein naar het toilet gegaan of op station Amsterdam ?" vraag ik terwijl de man dreigt te gaan huilen. "Op de trein, zegt u ?" De man doet een stap naar achter en begint een heel relaas over wat ze die dag hebben gedaan. En of ze wat gedaan hebben, Amsterdam is wederom onveilig gemaakt door een aantal volslagen onvoorbereidde Limburgers. Ja, het was me het dagje wel. Maar nu is hij zijn vrouw kwijt. De conducteur lijkt inmiddels te hebben bepaald wat hij gaat doen. "Hoe ziet uw vrouw eruit ?" De man lijkt verbaasd te zijn over de vraag, hij kijkt vertwijfeld om zich heen. "Tja..." stamelt hij, "ze is van mijn leeftijd en komt uit Heerlen." Nu wist ik de regionale klederdracht uit Heerlen ook niet, dus vragen we door. De man verteld ons de kledingkeuze van zijn vrouw. Mijn collega heeft inmiddels zijn GSM erbij gepakt. De centrale meldkamer van de politie heeft hij snel aan de lijn. Na de situatie, zonder te lachen, aan de politie te hebben uitgelegd, roepen we in de trein om dat we op zoek zijn naar een mevrouw van middelbare leeftijd in een bruin truitje en groene broek. Als echte opsporingsbevoegden splitsen onze wegen zich. Samen met de verdwaasde meneer loop ik door de trein, op zoek naar zijn vrouw.
Na een lange wandeling door de trein, komen we op het einde. Geen vrouw gevonden. WC's subtiel gecheckt, niemand aangetroffen. Dan lopen we terug, de man zweet inmiddels een beetje. En daar zit ze dan, bij de 'kennisjes' zielig voor zich uit staren. De man kan van pure vreugde nauwelijks een kreetje onderdrukken. De vrouw in kwestie kijkt me schuldbewust aan. Ik schenk haar mijn meest vriendelijke glimlach toe. "Volgende keer met z'n tweeën naar de wc hè" zeg ik nog terwijl ik terug naar mijn collega loop. Gelach stijgt op in de coupé. Mensen knipogen naar me terwijl ik voorbij loop. Ik knipoog terug en zeg, als ik bij mijn collega terug ben: "Koffie ?"

zondag 9 december 2007

Machteloos

De straten zitten vol gaten, auto racen hard over de kuilen. Op weg naar iets anders, weg van hier. Reclameborden zenden genadeloos signalen van luxe uit. Vrouwen grijnzen onnatuurlijk over de desolate bushaltes. Bussen stoppen, mensen stappen in. Mensen willen weg. Weg van die plek. Maar hij, jong als hij is, kan niet weg. Zijn thuis bestaat niet meer. Z'n ouders zijn misschien wel overleden of vermist. Niemand lijkt zich om hem te bekommeren. Uren werden dagen, dagen werden maanden en uiteindelijk werden die jaren. Het leven gaat meer over overleven. De regent tikt op de straten, geeft ze een glans, vult de kuilen. Niemand die zich er zorgen over maakt. Zolang de auto's om de kuilen heenrijden, krijgen ze ook geen krassen of spetters op hun prachtige lak. De tegenstelling is haast ondraaglijk.
In een hoekje, tussen de huizen, staat een groepje jongeren te schreeuwen. Om aandacht. Maar de mensen luisteren niet. Nee, ze verstoppen zich achter hun paraplu, vechten zich een weg door de regen en wind. Hij is één van hen, samen, maar toch zo alleen. Hij steekt zijn hand vooruit, probeert de aandacht te vangen van de mensen die langskomen. Ze zien hem niet, willen hem niet zien. Met de andere hand brengt hij het zakje bij zijn mond. Ademt nog eens diep in, neemt een ferme teug en voelt de wereld langzaam vervagen. Niemand geeft om hem, niemand zorgt voor hem. Op jezelf aangewezen zijn, had nog niet eerder zo'n indringende betekenis. Waar hij vanavond zal slapen, weet hij niet. Of hij eten zal, is onzeker. Of hij morgen nog wakker zal worden, blijft een eeuwige vraag. Toekomst is iets waar hij niet aan denkt.
Hoe kan het dat ik daar sta, me in stilte verbijt. Nog eens ademhaal en een hotel binnenstap. Ik hoef me geen zorgen te maken over wat ik eet, waar ik slaap en of men voor me zorgt. Ik heb iemand die me graag ziet, om me geeft. Hij niet. Tweeduizend kilometer van daar hebben de mensen iedere dag eten, gaan kinderen naar school en komen weer thuis om te spelen. Het is zo oneerlijk. Onrechtvaardig. Het maakt me boos. En ik voel me machteloos...

Telling 2

eXTReMe Tracker