maandag 30 juli 2007

Dag uit

De regen drupt zacht op de ruit. Opspattend water baant zich een weg via de wielen en de lak een weg naar de voorruit. We zijn op weg naar het zuiden van Nederland. Naast me zit mijn moeder, en achter me mijn beide zusjes en een hond. De hond is een beetje zenuwachtig. Van zitten naar liggen, van liggen naar zitten. Hoog keffend zit ze achterin. Voor haar is het een avontuur. We rijden door het landschap dat een dikke sluier van regen over zich draagt. Steeds zachter rijdend bereiken we de plaats van bestemming.
Tussen het lichtglooiend landschap ligt het stadje verscholen. De dakpannetje reflecteren voorzichtig het waterig zonlicht dat de wolken probeert te verdrijven. De dakpannetjes liggen op daken van witte huisjes. De huisjes staan aan straatjes van kinderkopjes. In zo'n stadje kan een doktersroman plaatsvinden. Toch leiden mijn gedachten me eerder naar een moord. Op een gekke manier laat m'n fantasie me altijd verhalen bedenken die vol mysterie zijn. Zo'n stadje ziet er zo lief uit, zo smetteloos wit. De uitstekende locatie voor een moord, of een verdwijning. Misschien de pastoor erbij betrokken is. De pastoor, die alles in dit kleine stadje weet. Hij kent iedereen, was er het eerst bij, bij de geboorte. Keek het laatst in de ogen van de stervende. Iedereen vertrouwt zijn geheimen aan hem toe. Te goed van vertrouwen ? Kan de pastoor er wel mee omgaan ? Hmm, ik vraag het me af. Zou ik 't eens gaan schrijven... Kijken wat er gebeurt...

maandag 16 juli 2007

Het grote gat

Ik ga eens lekker zitten, leun heerlijk tegen de bank. De trein zet zich in beweging. Ik sla het magazine open, begin te lezen, neem een hap van mijn candy-bar. Heerlijk. Ik zucht eens diep en nog maar een hap. "KRAK" klinkt het. De stilte wordt druk verstoord. Voorzichtig haal ik mijn tanden van elkaar, het stukje chocolade heeft zich vermenigvuldigd. Met mijn tong voel ik voorzichtig aan het stukje chocolade. Een beetje onsmakelijke scene volgt, ik spuug het uit. En daar ligt 'ie dan, in mijn hand. Een groot stuk tand. Me toe te grijnzen. Alsof hij zeggen wil: "Haha, dat verwachtte je niet hè" Ik schrik me een ongeluk. Het zweet breekt me uit. Met een ruk draai ik me om, kijk in de spiegel. Een beetje moeilijk draaiend om het juiste licht in mijn mond te krijgen. Dan in de verte ligt een gat, een gat dat er nog niet was. Ik zit er nog van bij te komen als we op het station aankomen.
Op maandagochtend maak ik een afspraak bij de tandarts. Om elf uur kan ik terecht, niet geheel gemeend dank ik de assistente en leg de telefoon neer. Een diepe zucht. Nog even wachten dan maar.
Om kwart voor elf stap ik op de fiets. Ondanks mijn tegenzin fiets ik verbazend hard. Het is een vreemd verschijnsel bij mezelf. Tussen de weilanden door fiets ik naar de tandarts. Nu heb ik even geen oog voor de vogels die om me heen vliegen, ik zie de bloemen niet bloeien. Er is een vraag die door mijn hoofd spookt: "Overleef ik dit wel ?" En, "zal hij gaan boren ?" Op een gekke manier komt altijd het kind in mij naar boven als ik naar de tandarts moet. Ik maak mezelf wijs dat ik het niet eng vind. Maar eigenlijk...
Bij de tandarts veins ik een boekje te lezen, vanachter de deur klinkt een boor. Een hoog, snerpend geluid. Naast mij zitten twee oudere mensen druk de Elsevier te lezen, op mijn schoot ligt iets soortgelijks. Zij schijnen zich wel te kunnen concentreren, maar ja, dat heb je met een kunstgebit. Uittuffen, hakken en schaven, Kukident ertussen en gaan maar weer ! Soms ziet ouderdom er toch wel rooskleurig uit.
"Van Keulen" schalt het door de wachtzaal. Verbazingwekkend monter loop ik naar de deur. De tandarts schudt mij de hand. Iets te enthousiast naar mijn zin. Is het een gemeende handdruk of een gouden handdruk ? Al is de handdruk dan voor mij, en het gouden voor hem !
Geforceerd ontspannen ga ik liggen op de stoel. Na een paar seconden wordt er hevig gevochten in mijn mond. De tandarts steekt er van allerlei stalen objecten in. Echt gerustellend ziet het er niet uit. Als de goede man er dan ook nog een crematiegezicht bij trekt en dingen als: "Nou nou" zegt, verlies ik de moed een beetje.
"We gaan foto's maken" zegt de tandarts en stapt resoluut van de stoel naast mij. Hij wandelt de kamer uit, mij achterlatend in totale paniek. Foto's ? Maar, dan is het echt serieus mis, vraag ik me in stilte af. De tandarts stapt de kamer binnen en steekt een klein zwart kunstoffen plaatje in mijn mond. Zenuwachtig houd ik het tegen mijn wang gedrukt. In een andere ruimte klinkt een beleefd piepje, het plaatje gaat uit mijn mond. Hetzelfde ritueel herhaalt zich aan de andere wang.
Daar lig ik dan, alleen. In de andere kamer wordt druk overlegd. Het geeft me geen warme gevoelens. Tussen het ruizen van de airco denk ik nog een zacht zingende Elton John te ontdekken, Elton John. De goede man kan me niet bekoren, mijn mond iets open. Misschien dat Elton een vreemde echo zal krijgen nu, zo'n gat in mijn mond, dat moet toch íets met de akoestiek doen ? Maar nee. Daar is de tandarts weer. Ik stap uit mijn stoel om de foto's te gaan bekijken. Op het computerbeeldscherm staan twee zwart-wit foto's. Beide tonen een enorm gat. Dan begint er zich een rampscenario te ontvouwen. De tandarts noemt dingen als: kaakchirurg, ziekenhuis en kiezen trekken. Ik sta er beteuterd bij.
De hand is weer geschud. De fiets ontsloten. En daar ga ik weer terug. Van een koude kermis thuis. En volgende week ? Dan gaan ze eruit. Mijn beide kiezen. Ik mis ze nu al...

zaterdag 7 juli 2007

De vreugde van 't terug zijn

Ken je dat gevoel ? Alsof je eigenlijk nooit weg bent geweest ? Soms kan dat gevoel je enorm ontbreken. Niet vandaag, niet voor mij. Gisteren begon 't al. De hele week had ik er al zin in. Toen ik dan eindelijk de trein instapte, overviel me een blij gevoel. Het gevoel dat je had als je als kind vertrok op schoolreisje. Dat dan eindelijk ging gebeuren waar je al een tijd naartoe leefde. Voor mij gold dat ook. Terwijl de weidse landschappen van Holland aan mij voorbij trokken, was ik al in gedachten daar waar ik zijn moest.
En dan ben je er. Het maakt me niet wat ik er doe. Het er zijn op zich is al voldoende. Je kan er zijn, er staan. Met in je hand een pintje, met voor je een concert. Met om je heen je vrienden. Van die kleine dingen kan ik oprecht genieten.
De volgende dag reis ik door, ditmaal door het vlakke Vlaamse landschap. Aangekomen loop ik door de straten van de stad die me zo dierbaar is. En dan samen met vrienden op een terrasje zitten, genieten van 't weer, van de gesprekken. En weer gewoon het er zijn... Later, aan de Schelde herinner ik me hoe ik het getroffen heb. Misschien dat de studie niet helemaal dat was, wat ik gedaan zou moeten hebben. Maar dit, dit nemen ze me niet af.

Telling 2

eXTReMe Tracker