Ik ben erg in twijfel, aan de ene kant ben ik gek op de stad. De bedrijvigheid, de drukte en het tempo zitten me in het bloed. Maar aan de andere kant is er ook het dorp. Het platteland. Dat zo'n rust in zich heeft. Daar waar het leven net een tandje minder snel lijkt te gaan. Daar waar men elkaar nog bij de voornaam kent, elkaar groet bij het voorbijgaan.
Als ik dan weer es op de fiets zit, dwars door de velden en bossen, slaat de twijfel ongenadig toe. Herinneringen borrelen naar boven in me. Ik zit ineens niet meer op de fiets, maar loop over een pad langs een veld. Een veld vol koren, omgeven door oude huizen met rieten daken. Witte was wappert in de wind. Stokrozen groeien tegen de muren van de huizen. Een hond rent voor me uit. Ze achtervolgt de bladeren en probeert ze te vangen. De zon staat hoog aan de hemel en brandt me vooruit. De wind blaast over het veld en speelt spelletjes met het gouden koren dat er flexibel meespeelt. De zon door het koren stralen in het gouden licht. Eenzelfde gouden gloed is op mijn gezicht. Ik koester me in de warmte. Af en toe blaas ik een vliegje van mijn neus. De hond rent terug en springt tegen me op. Ik kijk even om me heen en zie dat niemand naar me kijkt. Behalve de hond, ze kijkt me uitdagend aan. Dus zet ik het op een lopen, ik ren achter haar aan. Ze rent luid blaffend voor me uit. Draait af en toe een rondje om heen en neemt dan een sprint. Ik ren achter haar aan, door het hek een boomgaard binnen. De hond rent als een, tja als een wat eigenlijk, een jonge hond dwars door de bomenrijen. Ik kijk weer even om heen en pluk dan een van de appels en poets hem schoon op mijn broek. Dan neem ik een hap en laat me neerploffen op het gras. De zon verstopt zich achter de bomen met fruit. Ik geniet van de schaduw en het briesje dat over mijn gezicht waait. Totdat de hond weer terug is, ze springt bovenop me en praat blaffend tegen me. Het blaffen verdwijnt naar de achtergrond. Langzaam vervaagt het hele beeld, de korenvelden verdwijnen achter de horizon. De appelbomen zijn er niet meer. Niets van dat al.
Ik ontwaak uit mijn gedroom en fiets weer door. De zon is er, de wind blaast me in het gezicht, de hond. Die is er niet.
Maar met een glimlach op mijn gezicht fiets ik terug naar huis. Via een omweg want, die drukte, bedrijvigheid en dat tempo... Dat kan me even gestolen worden.
dinsdag 12 augustus 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten