maandag 25 augustus 2008

Het einde is voor andere enkel het begin

Drie levens, drie klappen, drie maal een einde. Driemaal een leven voorbij, driemaal een leven veranderd. Niet voor even, maar voor altijd. Een klap die misschien fracties van seconden duurt, misschien zelfs maar één fractie. Maar een dreun die lang voorduurt, in geesten van mensen die, die dag nog op stonden vol goede moed. Zich klaarmaakten. Die uit hun bed stapten en zich wasten. Hun brood smeerden, zich afvroegen waar ze heen gingen. Ze stapten hun auto's in, reden de rustige snelweg op. Melden zich voor hun werk en gingen op pad. Ze lachten naar hun collega's en dronken nog een kop koffie en installeerden zich. Niemand die hen waarschuwde, niemand die hen inlichtte. Niemand die hen kon inlichten, al zouden ze willen. Ze gingen zitten, nietsvermoedend. Ze genoten wellicht van de zonsopgang.
Even verderop stonden ze ook op. Wasten zich, zich afvragend wat de zin van het alles was. Liepen naar buiten, merkten het zonlicht niets eens op. Keken naar boven, vroegen zich af waar ze werkelijk heen gingen. Misschien dat ze door het bos liepen, misschien dat ze luisterden naar het gefluit van de vogels. Misschien dat het hen niet eens opviel. Misschien hoorden ze het niet eens. Ze liepen door. Als door een ongrijpbaar gevoel gegrepen, murwgeslagen door hun emoties. Al dood voor ze stierven. Ze liepen doelgericht, automatisch op hun doel af. Ze stonden daar, keken waarschijnlijk niets eens meer op of om. Ze stonden daar, wachtend... Hopend op verlossing.
En zij zaten, keken op het tafereel voor zich. Vroegen zich misschien af wat ze eten zouden die avond. Of wat ze kopen moesten voor die verjaardag van binnenkort.
En toen was er een klap. En klap die een lijden zou beëindigen, maar een ander zou beginnen.
Drie levens beëindigd, de andere drie getekend. Niet voor even, maar voor altijd.

zaterdag 23 augustus 2008

Een gedachtenstroom die zich niet laat bedwingen

Ik zou zo graag alles begrijpen. Tot in het kleinste detail. Ik zou alles door willen hebben en alles willen weten. Toch bereik ik regelmatig de grenzen van mijn vermogen om dingen te begrijpen. Alsof de grens van mijn begrip is bereikt. Ik zou ook graag vooruit willen kunnen kijken. Ik zou willen kunnen zien wat het effect is van een beslissing, van een gebeurtenis. Zodanig dat ik zou kunnen voorkomen dat datgene wat gaat gebeuren, zou gebeuren. Ik zou dingen écht willen kunnen terugnemen. Maar ik kan het niet. Ik moet me neerleggen bij mijn perfecte imperfectie. In de hoop dat ik dan toch eindelijk eens leer dat ik het niet moet willen. Maar zelfs dan nog wil ik begrijpen waarom dat beter voor me is.

dinsdag 12 augustus 2008

Het dorp

Ik ben erg in twijfel, aan de ene kant ben ik gek op de stad. De bedrijvigheid, de drukte en het tempo zitten me in het bloed. Maar aan de andere kant is er ook het dorp. Het platteland. Dat zo'n rust in zich heeft. Daar waar het leven net een tandje minder snel lijkt te gaan. Daar waar men elkaar nog bij de voornaam kent, elkaar groet bij het voorbijgaan.
Als ik dan weer es op de fiets zit, dwars door de velden en bossen, slaat de twijfel ongenadig toe. Herinneringen borrelen naar boven in me. Ik zit ineens niet meer op de fiets, maar loop over een pad langs een veld. Een veld vol koren, omgeven door oude huizen met rieten daken. Witte was wappert in de wind. Stokrozen groeien tegen de muren van de huizen. Een hond rent voor me uit. Ze achtervolgt de bladeren en probeert ze te vangen. De zon staat hoog aan de hemel en brandt me vooruit. De wind blaast over het veld en speelt spelletjes met het gouden koren dat er flexibel meespeelt. De zon door het koren stralen in het gouden licht. Eenzelfde gouden gloed is op mijn gezicht. Ik koester me in de warmte. Af en toe blaas ik een vliegje van mijn neus. De hond rent terug en springt tegen me op. Ik kijk even om me heen en zie dat niemand naar me kijkt. Behalve de hond, ze kijkt me uitdagend aan. Dus zet ik het op een lopen, ik ren achter haar aan. Ze rent luid blaffend voor me uit. Draait af en toe een rondje om heen en neemt dan een sprint. Ik ren achter haar aan, door het hek een boomgaard binnen. De hond rent als een, tja als een wat eigenlijk, een jonge hond dwars door de bomenrijen. Ik kijk weer even om heen en pluk dan een van de appels en poets hem schoon op mijn broek. Dan neem ik een hap en laat me neerploffen op het gras. De zon verstopt zich achter de bomen met fruit. Ik geniet van de schaduw en het briesje dat over mijn gezicht waait. Totdat de hond weer terug is, ze springt bovenop me en praat blaffend tegen me. Het blaffen verdwijnt naar de achtergrond. Langzaam vervaagt het hele beeld, de korenvelden verdwijnen achter de horizon. De appelbomen zijn er niet meer. Niets van dat al.
Ik ontwaak uit mijn gedroom en fiets weer door. De zon is er, de wind blaast me in het gezicht, de hond. Die is er niet.
Maar met een glimlach op mijn gezicht fiets ik terug naar huis. Via een omweg want, die drukte, bedrijvigheid en dat tempo... Dat kan me even gestolen worden.

maandag 28 juli 2008

Wil je je een keer vervelen...

Stierlijk vervelen. Kent u dat fenomeen ? Laatst was ik het ongewilde slachtoffer daarvan. Ik probeerde me te vermaken. Om het vervelen nog wat aangenamer te maken, was ik gaan zitten op een bankje in de zon. Het zonnige Deventer was mijn plaats delict. Zonnig bleek een fragiel begrip, wolken die regen brachten, dreven af en aan. Net als ik lekker zat, plensde het dat het een lieve lust was. Met een krantje onder de arm en een kopje koffie in de andere hand baande ik me een weg tussen de druppels. Voor mijn werk moet ik mezelf soms voor langere tijd zien te vermaken op stations waarvan het bestaan me daarvoor nog volslagen onbekend was. Zo ook die zondagavond. Half verscholen tussen planten en nog net onder de overkapping zat ik op het station van Deventer. De krant was haast onleesbaar geworden door de elementen die het had moeten doorstaan. In de verte kwam een waterig zonnetje door de wolken door. Ik zuchtte eens diep en ging wat verzitten. Een trein reed langzaam het station binnen, ik keek op om te kijken wie er allemaal uitkwamen. Niet dat ik hen kende, maar ach, een mens moet wat. Richting de brug, helemaal aan het einde van het perron renden twee kinderen enthousiast heen-en-weer. Ik keek nog eens, op zoek naar de ouders of begeleiders. In geen velden of wegen te bekennen. Ik wilde verder lezen. Maar bedacht me. Twee kinderen, alleen op het station. Hier klopte iets niet, voelde ik aan mijn water. Ik twijfelde heel even. Toen besloot ik toch op te staan. In uniform kan je niet weglopen van je verantwoordelijkheid, bedacht ik me. Ik liep op de jongens toe. "Waar zijn papa en mama ?" vroeg ik hen, vriendelijk glimlachend, dat terwijl ik geen kindervriend ben. "Verderop" antwoordde woordvoerder van het tweetal. Ik keek in de richting waar hij naar wees. Een bende studenten stond zich stierlijk te vervelen, en zette hun daad kracht bij door bierblikjes rond te schoppen. Geen vader of moederachtige types, leek me zo. "Breng me me maar naar je vader en moeder" zei ik niets vermoedend. Ze keken elkaar aan, of ze zeggen wilden dat ik toch wel een beetje vreemd moest zijn hun ouders te willen ontmoeten. We liepen samen het perron af. "Zijn papa en mama eigenlijk wel op het station" vroeg ik, met een spoor van angst in mijn stem. "Nee hoor, die zijn thuis" sprak de woordvoerder weer. Ik fronste mijn wenkbrauwen, keek heen ernstig aan. "Niet op het station ?" herhaalde ik zijn woorden. "Nee, thuis" voor hen leek het de normaalste zaak van de wereld. In mijn hoofd speelde zich al de vreselijkste scenario's af, een vader die in een louche café zijn verdriet zat te verdrinken met goedkoop bier, een moeder die thuis op de bank naar een herhaling van GTST zat te kijken. Ik zette een stapje bij. Probeerde hun gehuppel bij te houden. Ik durfde het bijna niet te vragen, maar deed het toch: "Wonen papa en mama wel in Deventer ?" Een verbaasde blik was mijn deel, een gegrinnik volgde. "Natuurlijk !" Ik slaakte een zucht van verlichting, niet vermoedend welke marathon mij te wachten stond. Het vermoeden werd pas sterker eerst we het station verlieten en een woonwijk binnenliepen. De jongens liepen luid kletsend voor me uit. Ik verstond weinig van wat ze zeiden. "Is het nog ver ?" vroeg ik, terwijl ik om me heen keek en de omgeving in me opnam. Een verrassend grote concentratie van schotels had bezit genomen van de ooit über-hollandse wijk. Tegen de stoepen stonden auto's geparkeerd, die normaalgezien nooit meer de door keuring zouden zijn heen gekomen. "We zijn er bijna, het is bij de speeltuin" Ik glimlachte en bedacht me dat in de wereld van het kind er maar één speeltuin bestond. De speeltuin aller speeltuinen. Wat moest dat eenvoudige beeld van de wereld toch een rustgevend idee zijn. We doorkruisten de buitenwijken met een snelheid waar de paus zijn neus voor zou ophalen. Na een tocht van tien minuten, die uren leek te duren, kwamen we in de straat aan. Aan het einde stond inderdaad een schommel. De speeltuin, vermoedde ik. Bij een tuin waar planten noodgedwongen plaats hadden gemaakt voor een autowrak, stond een huis met de gordijnen ferm gesloten. De woordvoerder van het duo klepperde aan de brievenbus. Ik bleef er rustig staan wachten. De deur werd geopend door een leeftijdsgenoot, die me verbijsterd aankeek. "Bent u van de polisie, meneer" vroeg het meisje. De jongens stoven langs haar het huis binnen. "Nee hoor" antwoordde ik geruststellend. Achter haar klonken stemmen van mensen, die spraken in een taal die ik niet verstond. "Zijn je vader of moeder ook thuis ?" vroeg ik het meisje dat de angstige blik inmiddels omgeruild voor een verbaasde. Ze draaide zich resoluut om en schreeuwde iets vreemds wat mij in de oren klonk als een voordeelmenu van de kebabzaak op Utrecht Centraal. Een lange bebaarde man stapte langs haar heen naar buiten en keek me ernstig aan. We keken elkaar aan. Ik kuchte een keer en begon toen mijn waarschuwend verhaal. "Snelle treinen, gevaar, station" en meer van dat soort termen gooide ik in de strijd. Hij keek me eerst verbaasd aan, toen serieus en vervolgens verbaasd en toen boos. Heel even dacht ik dat ik ter plaatse zou worden neergeslagen. Maar nee, hij draaide zich om, riep de jongens bij zich en begon toen een heel verhaal tegen hen. Ik stond er een beetje ongemakkelijk bij. Niet begrijpend wat hij zei, glimlachte ik maar. De preek was afgelopen, dat maakte ik op uit de bange ogen van de jongens en hun trillende lippen. Vader draaide zich om naar mij en zei: "Dankjewel meneer, zal niet gebeuren meer" De grammaticale fout vergaf ik hem en groette hem vriendelijk terwijl ik op mijn horloge keek. Iets sneller dan ik wilde draaide ook ik me om. Op deze manier was er ook niets van het vervelen terechtgekomen, ik moest haast rennen om weer op tijd bij de trein te zijn...

donderdag 10 juli 2008

En ik droom nog steeds

Vroeger droomden we allemaal over mooie dingen. Dingen waarvan we hoopten dat ze ooit waarheid zouden worden. We droomden over onze ambities en verwachtingen. Dromen waarvan we hoopten er nooit uit te ontwaken. Als ik mijn ogen sloot, ging ik op reis. Op reis langs mijn diepste wensen en verlangens. Ik reisde de hele wereld over, ontdekte exotische plaatsen waarvan het bestaan slechts werd gevormd door het beeld dat ik vormde in mijn hoofd. In mijn dromen was ik echt gelukkig. Samen met de mensen waarvan ik hield leefde ik een leven waarvan ik alleen kon dromen. Dat bleek.
Zodra ik wakker werd, sloeg de realiteit hard en genadeloos toe. Op de kleine schermen schoot voorbij, de ellende en armoede in de wereld. Een machteloosheid had me in zijn greep. Diep van binnen wilde ik het veranderen. 'Wees de verandering die je zien wilt' zei iemand me ooit. En ik probeer het, ik engageer me ervoor, maar ik schiet hopeloos tekort. Telkens weer verlies ik me in egoïsme dat ieder ten deel valt. Ik wil het wel, maar kan het niet. Ik vraag me af wat we moeten doen om echt een verandering te bewerkstelligen. Als we ons allemaal zouden inzetten, zou het dan lukken. Zou het ? In mijn jonge leven heb ik al met veel mensen gesproken. Iedereen heeft zijn visie, verrassende inzichten en meer. Inmiddels ben ik erachter dat achter iedereen gezicht een verhaal schuilgaat. Verbaasd hoor ik verhalen aan, verhalen over levens die anders liepen dan gepland. Terwijl ik vroeger altijd dacht dat als je groot was, alles gewoon goed zou gaan. De mensen die voor me liepen op het trotoir leken een toonbeeld van volmaakt geluk. Zij hadden een baan, een huis en een man of vrouw om van te houden. Nu hoor ik verhalen van stukgelopen liefdes, hernieuwde liefdes of liefdes die niet mochten of konden. Het grote verdriet dat iedere avond van het beeldscherm spat, staat in geen verhouding tot het kleine verdriet dat ik iedere dag hoor.
En soms droom ik nog. Laat ik me meevoeren naar een wereld ver van hier, een wereld zonder ellende en armoede. Een wereld van volmaakt geluk. Hoe ver is die wereld van hier. Zullen we er ooit komen ?

Telling 2

eXTReMe Tracker