zondag 19 april 2009

Ik ben blij dat ik een vaste baan heb

Het was wat later op de avond en ik stond in de tram. Tegenover me stonden twee jongens te praten. Met wilde en brede gebaren probeerden ze hun boodschap kracht bij te zetten. Ik knikte een keer vriendelijk. Een andere jongen kwam erbij staan en schudde de beide andere jongens de hand. Toen stopte de tram bij een halte, een van de drie jongens draaide zich om. "Hey, heb je een vuurtje voor me?" sprak hij tegen een van zijn vrienden, terwijl hij een joint uit zijn zakte viste. Een van de jongens graaide in zijn zak en diepte een aansteker op. In de deuropening stak de jongen zijn joint op, nam een ferme haal en stak zijn duim op. "Later.." zei hij en liep weg. De andere jongen liep achter hem aan. De jongen die in de tram achterbleef keek me aan en schudde zijn hoofd. "Ik ben zo blij dat ik een vaste baan heb" zei hij. Ik knikte hem vriendelijk toe. "Ja, dat is een fijn idee hè" "Je hebt geen idee", hij schudde nogmaals zijn hoofd en keek me ernstig aan. "Iedere keer als ik door deze wijk rijd, kom ik mijn oude vrienden tegen. En daar word ik niet vrolijk van." Ik keek hem niet-begrijpend aan. "Hoezo dat dan?" vroeg ik hem. "Nou, die komen om 12 uur uit hun nest, roken een joint en gaan op straat ellende uithalen." "Da's minder", antwoordde ik, niet wetend wat te zeggen. "Ik ben echt blij dat ik daar weg ben." "Dat lijkt me ook" zei ik tegen hem. Hij kijkt me nog een keer ernstig aan. "Heb jij ook een vaste baan?" vroeg hij me, ik knikte en zei "Ja". "Nou, ik zit nou anderhalf jaar bij dit bedrijf en zeg telkens tegen mijn baas: 'ontsla me niet, want anders val ik weer terug in de shit'". Ik keek hem verbaasd aan. "Dus, ik hoop dat zij dat ook een keer zullen hebben, want hoe ze nu leven... Daar schiet niemand iets mee op." Ik glimlachte hem en toe en stapte bij mijn halte uit. Hij liep een stukje met me mee. Gaf me een klap op mijn schouder en zei: "Hey, fijne avond verder hè!" "Van hetzelfde" roep ik terwijl ik met een glimlach op mijn gezicht doorliep, naar huis.

zaterdag 21 maart 2009

zondag 15 maart 2009

Toch ben ik best sportief

Het was een mooie dag. Buiten scheen het zonnetje er op los. Ik zag in het park tegenover mijn appartement allerlei mensen lopen. Opeens kreeg ik een idee... Wat als, ik nou eens ging rennen. Hardlopen door het park, misschien vind ik dat wel leuk ? Wist ik veel...
Ik rukte de kastdeur zowat uit de sponning, op zoek naar de juiste schoenen. Ik zette wat kekke muziek op mijn iPod en deed mijn trainingbroek aan. Ik strikte de veters goed strak vast en stak de dopjes in mijn oren. Ik had wat up-tempo nummers op mijn mp3-speler gezet. Dat leek me wel het beste. Enthousiast rende ik het huis uit. Met grote sprongen stond ik snel beneden. Ik wandelde rustig langs de flat richting het park. Stiekem was ik wel een beetje trots op mezelf. In jaren had ik niet zo gezond gedaan. Tussen de auto's en trams door manouvrerend wandelde ik naar het park. Toen ik op het pad in het park stond, keek ik even om me heen. Strekte mijn benen, zoals ik dat tientallen anderen dat ook had zien doen. Wow, dat zag er al heel sportief uit. En daar ging ik. En hoe ging ik... Als de wind. Suizend door de bomen door. De bladeren wild dansend om mijn benen. Vogels die verschrikt opvlogen. Sneller dan het licht. Naja, suizend, sneller dan het licht... Zacht blazend. Ik was als een rustig lentebriesje. Maar toch, ik had al gelijk het goede huppeltje te pakken, vond ik zelf. Mederenners groetten me, ze staken hun hand naar me op. Ik voelde me meteen 'one of the guys'. Dus zwaaide ik semi-nonchalant terug. Zo'n beginnende zwaai. Het eerste rondje ging me ook makkelijk af. Daar was ik zelf misschien nog het meest verbaasd om. Het tweede rondje ging al wat slechter. Aan het begin van het derde rondje besloot ik even te wandelen voordat ik weer begon met lopen. Ik was retetrots op mezelf, zo trots dat ik na het derde rondje weer terug naar huis wandelde. Daar aangekomen ging ik even zitten bijkomen. Ja, ik was goed bezig geweest, vond ik. Voldaan stapte ik onder de douche. Even voldaan stapte ik weer onder vandaan. Later die avond stapte ik in bed, met hetzelfde voldane gevoel.
De volgende morgen werd ik wakker en klom uit bed. Ik voelde een vreemd gevoel in mijn knieën. Hmm, en ook bij mijn heupen. Met mijn hand sloeg ik tegen mijn voorhoofd. Spierpijn. Waarschijnlijk moet ik nog wat vaker trainen...

donderdag 19 februari 2009

En oh, de pijn...

Ik lig hier te vergaan van de pijn. Ik draai me om, op de ander zij dan maar. Auw, kerm ik. Ik vind me zelf erg zielig. Het maakt niet hoe ik lig, pijn doet het toch. Ik voel aan mijn kaak. Hmm, niets vreemds... Maar toch doet het pijn. Ik sluit mijn ogen, probeer nog wat te slapen. Maar ik wacht, de slaap komt niet. Ik kijk op de wekker. Het licht straalt me fel in de ogen. Ik knipper even en kijk dan weer: 04:42. Ik draai me om, maar mijn kaak dwingt me om weer te draaien. Man, man, wat doet dit pijn. Ik kijk weer op de wekker... 04:45. De tijd kruipt voorbij. Ik zie bijna elke minuut, ieder uur. Ik weet van pure gekheid niet meer hoe ik liggen moet.
Dan klinkt eindelijk de wekker. Onder luid gejammer sleep ik mezelf uit bed. Sloffend ga ik naar de badkamer. De spiegel is mijn onpartijdige rechter, die me altijd de waarheid zegt. Ook vanochtend kent hij geen genade. Tweede rode ogen kijken me aan, daaronder een mond die een verwrongen grimas trekt. Ik wil mijn mond open doen om te zien wat er daarbinnen toch allemaal in de hand is. Een felle pijnscheut weerhoudt me ervan om het daadwerkelijk te doen. Ik draai me voorzichtig om.
Aan tafel sop ik mijn brood naar binnen. De koffie smaakt me niet, het brood evenmin. Moedeloos laat ik me op de bank vallen. Buiten regent het, de regen slaat tegen het raam. "Pff, dat kan er óók nog wel bij..." denk ik. Ik kijk op de klok en trek mijn jas aan. Zelfs het tikken van de klok doet pijn. Ik probeer te lachen, maar ook dat doet pijn. Met mijn lodderige ogen en verwrongen smoelwerk sleep ik me het huis uit. De deur slaat met een klap achter me dicht. Ik voel me vreselijk. De pijn in mijn kaak lijkt haast ondraaglijk. Ik sjok naar de tram... De tram die weer een eeuwigheid op zich lijkt te laten wachten. Ik ben doodop. Dan komt hij toch. Ik sjok naar binnen. Verbazingwekkend snel sluiten de deuren zich achter me. Een venijnig: "Niet meer instappen!" klinkt achter me terwijl ik voorzichtig ga zitten. Tegenover me zit een oma me droevig aan te kijken. "Wat een weer hè?" zegt ze. Ik mompel iets bevestigends terug. Ze kijkt me niet-begrijpend aan. Ik staar door het raam. De stad trekt aan me voorbij. Gelukkig zijn we snel op het centraal station. Daar herhaalt zich het ritueel. Iedereen rent om het hardst om de trein te halen. Ze vliegen langs me met een snelheid waar ik me over verbaas. Zelfs een oude man met rollator haalt me in. Hij kijkt me verbaasd aan. Verbaasd over mijn tempo. "Als je nóg langzamer gaat, ga je terug in de tijd" lijkt hij te denken. Ik wil niet veel harder. Ik houd mijn hand stevig tegen mijn wang gedrukt. Alsof ik iets wil beschermen.
De trein zet zich in beweging. Ik staar naar buiten. De regen houdt niet op, hij valt gewoon door. Naar beneden. Stadig. In Culemborg komt er een jongetje de trein ingerend. Hij botst bijna tegen me op. "Is de conducteur al langsgeweest?" vraagt hij. Mijn korte-termijn-geheugen laat zich van zijn beste kant zien. "Geen flauw idee" mompel ik. "Oh" zegt hij. Hij leunt over me heen, probeert m'n krant te pakken. Met een kracht die ik toen niet voor mogelijk hield, leg ik mijn hand ferm op het papier. "Die is van mij". Hij kijkt me boos aan. "Nou, hey, doe eens normaal man. Ik schop je dood, hoor je, ik schop je dood" Ik kijk hem op mijn beurt verbaasd aan. Hij loopt weg en gaat zitten. Ik kijk weer naar buiten.
Als we aangekomen zijn, baan ik me een weg door de regen. Ik sta te kloten met het cijferslot. "Shit" bedenk ik me, "wanneer was mijn vaders geboortejaar nou weer ?" Uiteindelijk rij ik tergend langzaam naar de tandarts. Als een verzopen hond kom ik aan. De tandarts staat me in de deuropening aan op te wachten. Stralend, iets te stralend... Hij schudt me enthousiast en weet op tijd de grijns van zijn gezicht af te halen. Volslagen uitgeput laat ik me in de stoel vallen. De tandarts mompelt wat code's tegen zijn assistente. Die begint op haar beurt als een bezetene het toetsenbord van de computer te mishandelen. Die dan weer, slaakt een luide kreun en poept mijn gegevens uit. De tandarts neemt niet de moeite om zijn weerhaak uit mijn mond te halen terwijl hij die gegevens bekijkt. "Tja" zegt hij, "even een fotootje maken" Hij staat op en komt terug met een soort memorystick. Hij duwt het voorwerp stevig tegen mijn wang, en duwt dan weer een soort stofzuigerslang tegenaan. Er klinkt een piepje en het is stil. Iedereen verlaat de kamer. Na een tijdje staat het halve dorp in de behandelkamer te staren naar de foto. Ik lig nog lijdzaam in de stoel. "Tja" zegt de tandarts wederom, "ik kan eigenlijk niets zien" Ik schrik me naar, 'heb ik een blinde tandarts?' vraag ik me verbijsterd af. Dat zou veel verklaren, bedenk ik me. "Het is waarschijnlijk een ontsteking, ik ga je een kuurtje geven en wat pijnstillers." Bij het horen van die woorden, veer ik op in mijn stoel. Althans, dat is te zeggen, met dezelfde snelheid veer ik terug. Mijn kaak heeft duidelijk een ander plan. Ik krijg een briefje in mijn hand geduwd gedrukt. Snel race ik naar de apotheek. Brengt dit eindelijk verlichting ?

Telling 2

eXTReMe Tracker