zaterdag 28 juni 2008
Kalverliefde - De Verjaardag / Deel III
De overstappen gingen goed en rond elf uur kwam ik in Den Helder aan. Ik zag haar moeder al op het perron staan. Naast haar stond Nathalie me toe te glimlachen. Ik glimlachte terug en versnelde mijn pas iets. 'Hey, ben je daar eindelijk' zei ze. En ik straalde van oor tot oor. Ik voelde me best trots, zo helemaal alleen met de trein helemaal naar het noorden. We stapten in de auto en ik ging achterin naast Nathalie zitten, ze schoof tegen me aan en pakte mijn hand vast. Ik had niets te zeggen, ik voelde me een beetje suf. Ze kneep me in mijn hand en vroeg me hoe de reis was geweest. 'Het was leuk, maar wel lang' 'Oh, dat is minder' We staarden synchroon naar voren. Haar moeder keek af en toe goedkeurend naar de achterbank en wisselde blikken van verstandhouding met Nathalie die deed of haar neus bloedde. Ik wist ook niet wat ik zeggen moest. We hadden elkaar al twee weken niet gezien en ik had de nacht voor het bezoek geen oog dichtgedaan. Ik had wel honderd keer op mijn wekker gekeken. Was zelfs een paar keer uit bed gesprongen om te controleren of de wekker wel op het juiste uur stond. Telkens stond hij nog goed. Ik had liggen draaien, was veel te vaak naar de wc gegaan. Had mijn spullen nog eens goed gelegd. Ik had een cadeautje gekocht, of nou ja, cadeautje... Een cadeaubon van een groot warenhuis. Ze wilde spullen voor het middelbaar, had ze gezegd. Ik wist niet waar ze van hield. Dus liet ik de keuze maar aan haar.
Een week daarvoor wist ik nog niet eens dat ze jarig was op de die dag. Maar ze had me er subtiel aan herinnerd. Een paar dagen van te voren kreeg ik een kaart. Hij zat in een roze envelop die ik verbaasd had geopend. In haar handschrift stond daar mijn naam. Met 'lieve' ervoor. Zelfs toen ik hem las, voelde ik me weer rood worden. Mijn ouders hadden gevraagd van wie hij was. Ik wilde het eerst niet zeggen, dus zei ik maar: 'Van iemand die jullie toch niet kennen'. Maar ze hadden doorgevraagd. Mijn vader was eerst niet zo enthousiast over een reis van mij naar Den Helder, maar mijn moeder praatte hem om. Ik was zo blij als ik maar zijn kon.
'We zijn er, kijk maar, daar woon ik' Met een schok werd ik wakker uit mijn dagdroom en keek rechts van me. Daar stond haar huis. Een huis zoals zo velen. Maar ik zag er fietsen voor de deur staan. Veel fietsen. Allerlei felgekleurde fietstassen en stickers zaten op die fietsen. Ik stapte uit de auto en stond wat onwennig op mijn benen te draaien. 'Kom mee' zei ze, en weer pakte ze mijn hand. 'Jullie hebben een mooie tuin' zei ik, wijzend naar hun sfeervol met straatstenen afgewerkt hofje voor het huis. Ze keek me verbaasd en aan en begon toen te lachen. Ik liep, of liever, werd meegesleept door Nathalie naar de deur. 'Al mijn vrienden zijn er al, ik wil ze graag aan je voorstellen'. Met het uitspreken van dat zinnetje bracht ze opnieuw een rode kleur op mijn wangen. Ik voelde me al langzaam onzeker worden. Hopeloos was ik, met nieuwe mensen. Nooit wist ik wat te zeggen, ik keek altijd maar een beetje naar mijn schoenen. Hopende dat de nieuwe mensen dan zouden weggaan of, beter nog, op zouden lossen. Deze keer zou ik er niet zo gemakkelijk van af komen. Waarschijnlijk zou ik handen moeten schudden, mensen moeten kussen wiens bestaan daarvoor mij nog volslagen onbekend was. Maar, ik vermande mezelf en stapte zelfverzekerd de kamer binnen. Nathalie ging voor me uit. Enthousiast kussend en handenschuddend baande ze de weg voor. Ze was precies zoals ze was toen ik haar voor het eerst ontmoette. Ik probeerde haar voorbeeld te volgen, maar op een bepaalde manier zag het er bij mij een beetje onbeholpen uit. Het werd ook stil in de kamer. Alle ogen waren op mij gericht. Ik wilde weer naar mijn schoenen te kijken. Maar, dat lukte niet. In plaats daarvan concentreerde ik me op een, vreemd genoeg, kerstbal die tegen het raam hing. Een kerstbal ? vroeg ik me af, het is toch juli ? Het deed niets af aan de blikken die me aanstaarden. Ik verzamelde al mijn moed en zei toen, iets luider dan ik wilde: 'Hallo en gefeliciteerd allemaal' Het bleef ook stil. Voor een moment zei niemand iets. Ze bleven me aankijken. Toen klonk uit de hoek van de kamer een lach. 'Haha, die is niet van hier' De anderen grinnikten en knikten instemmend. De stilte was voorbij, iedereen begon weer te praten met elkaar. Ik haalde opgelucht adem en nam een slok van de cola die me ondertussen in de hand gedrukt was. Gelukkig, dat was alvast achter de rug. Ik ging met een gerust hart zitten, Nathalie naast mij. Ze kneep me in de hand en kuste me op mijn wang en zei: 'Ik ben blij dat je er bent'. En dat was ik ook. Blij dat ik daar was.
zondag 22 juni 2008
Kalverliefde - De Openbaring / Deel II
"... toch ?" klonk er ineens naast me. Ik was diep in gedachten verzonken en had dus geen flauw vermoeden wat er gezegd was. Op goed geluk knikte ik. Resoluut stak ze de straat over. Verbaasd liep ik achter haar aan. Een auto kon me nog op het nippertje ontwijken. Niet dat dat me opviel want ik staarde dromerig naar haar krullen die dansten in de wind. Ze dook tussen wat struikjes door een grasveldje op. Een klap van een tak in mijn gezicht bracht me terug in de werkelijkheid. Waar waren we, vroeg ik me af. Ik kende het hier helemaal niet. We liepen over het veldje naar een zandbak. Daar gingen we op het randje zitten. Nathalie keek me strak aan. Ik keek terug, maar moest al snel mijn ogen neerslaan. "Dus, je bent niet verliefd" zei ze, zonder haar blik af te wenden. Twee helderblauwe ogen schenen dwars door me heen te kijken. "Neuh..." mompelde ik nog maar een keer. Mijn ogen verriedden dat ik niet de waarheid sprak. " Ik geloof je niet" zei ze. "Toch is het zo" antwoordde ik zo zelfverzekerd mogelijk. Ik probeerde overtuigend te klinken, maar het lukte met niet zo goed als anders. Ik stelde ons al voor, samen wandelend door Houten, waar ik toen woonde. Ik zou dan samen met haar een zak snoep gaan kopen, die samen opeten terwijl we naar muziek uit mijn cassetterecorder luisterden. Ze zou dan bij mij komen logeren, we zouden kletsen totdat mijn vader boos naar boven zou komen lopen en zeggen dat we op moesten houden.
"Als jij het zegt, zeg ik het ook" ze wist van geen ophouden. "Okay" ik kon mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Of hard wegrennen. Maar ze zou achter me aankomen. Ik kende haar nog lang niet goed, maar ze was een doorzetter. Dat had ik al door. "Als jij het nou op de grond schrijft, veeg ik het weg en zet ik de naam van de jongen die ik leuk vind er neer" Wat een idee ! Ik vond het een goed idee. Ik zou dan, als de spanning te groot werd, weg kunnen rennen. Alsnog. En ik hoopte dat ze me niet zou achtervolgen die keer. Ze stond op, keek me een keer nadrukkelijk aan en stak haar tong uit. "Ik wacht wel" zei ze terwijl ze een eindje wegliep. Ik voelde me hart in mijn keel bonzen. Nu moest ik het gaan schrijven. Maar, hoe schrijf je haar naam eigenlijk, bedacht ik me. Dat wist ik niet eens. Ik stond ook langzaam op, keek om heen, op zoek naar een tak of stok waarmee ik in het zand zou kunnen schrijven. Toen ik er een had, ging ik op mijn knieen in het zand zitten. Was dit nou wel slim ? Maar ach, wat had ik te verliezen. Met trillende hand schreef ik haar naam in het zand. Eronder schreef ik nog maar: ik weet niet of ik het goed geschreven heb. Toen draaide ik me om en liep naar haar toe. Met een knalrooie kop gaf ik de stok aan haar. Zonder iets te zeggen, liep ze langs me heen. Naar het zand. Ze knielde om te zien wat er stond. Mijn hart bonsde zo mogelijk nog harder dan eerst. Wat zou ze denken, vroeg ik me in stilte af. Ze veegde het uit, zag ik vanuit de verte. Ik zag haar met de stok in het zand tekenen. Wat zou ze schrijven... Langzaam kwam ze teruglopen, met een rood hoofd en een grote glimlach op haar gezicht. De stok brak ze demonstratief in tweeen. "Kijk maar" Dus, ditmaal liep ik langs haar heen. Met knikkende knieen over het grasveld. Het leek wel een marathon die ik moest lopen voor ik er was. Aangekomen bij het zandbakje, durfde ik haast niet naar beneden te kijken. Bovenaan stond: je hebt het goed geschreven. En daaronder. Ik wreef in mijn ogen, keek nog een keer er daar stonden de vier letters. Ook goed geschreven. Ik keek nog eens, om me ervan te vergewissen dat het er echt stond. Toen draaide ik me om en liep ook terug. De roodheid was weg, ik liep wat zelfverzekerder. "Kom" zei ik, "we gaan naar huis".
vrijdag 20 juni 2008
Kalverliefde - De Ontmoeting / Deel I
't Zal in 1996 geweest zijn, ik was 12 jaar oud en logeerde nog bij mijn oma. Op een zaterdag gingen wij, naar goed gebruik, op verjaardagsvisite bij een oudtante in Bussum. 's Ochtends stapten we in de trein naar Bussum. Ik had er totaal geen zin in, want ik zag me alweer uren voor me uit staren. De verjaardagen waren altijd een vreugdevol weerzien van de familie die van heinde en verre kwamen om het goede mens te feliciteren. Ik kende weinig mensen op dat soort gelegenheden, ik verveelde me stierlijk.
Vanaf het station liepen we in ferme tred naar het huis van mijn oudtante. Daar aangekomen feliciteerden we het gezelschap door iedereen driemaal op de wang te kussen. Iedereen zat al netjes in een kringetje rondom de eikenhoutentafel. Een geroezemoes steeg op uit de kring. Men had het over ziektes, huwelijken, overlijdens en meer van dat soort verjaarspraat. Mijn oma zette zich strategisch, iets uit het midden van de cirkel, om geen moment van het feest te missen. Ik ging naast haar zitten en at schuldbewust mijn cakeje op, met ranja en een rietje. Ik bedacht me wat ik doen zou. Gelukkig begon een van mijn ooms enthousiast af te wassen. Ik sprong op om hem te helpen. Terwijl ik druk balancerend de meest lelijke kopjes stond af te drogen, ging achter mij een deur open. Van schrik keilde ik zowat het lelijkste kopje naar de eeuwige jachtvelden. Ik draaide me om, om te zien wie de aanstichter was van mijn schrik.
“Lukt het een beetje?” Te verbijsterd om te reageren, staarde ik haar schaapachtig aan. Tot die dag geloofde ik in mijn jonge leven nog niet in liefde op het eerste gezicht. Maar zij veranderde dat. Ik voelde mijn gezicht van kleur veranderen, ik sloeg mijn ogen neer. In mijn buik begon een kudde vlinders zich te verroeren. Ik wist niet waar ik naar moest kijken. Het maakte haar niet uit, ze liep langs me heen naar buiten. Op weg naar het inmiddels verplaatste feestje.
“Hé Nathalie”, hoorde ik mijn neef schreeuwen. De goede man zag altijd aanleiding om te schreeuwen. Hoe druk het ook was, hoe stil het ook was, de man schreeuwde. De hele massa keek op, Nathalie groette iedereen netjes terug en ging al zoenend de kring rond.
Waarom kende ik dit meisje niet, wie was zij ? Ik leunde om mijn oom heen, en tuurde door het grijs-groen gekleurde horgordijn naar buiten. Midden in het gezicht van Nathalie, breed grijnzend keek ze terug. Weer voelde ik mijn hoofd rood worden. Snel draaide ik mijn hoofd terug. Mijn oom stond een heel verhandeling over de oorlog in Bosnië te houden. Ik snapte er geen snars van, maar het interesseerde me ook niet. Ik had alleen oog voor het mysterieuze meisje dat daarbuiten de show stal. In mijn hoofd ging van alles met een noodvaart van links naar rechts. Hoe kreeg ik haar onverdeelde aandacht ?
Na de afwas ging ik weer naast mijn oma zitten. Die zat nog steeds goed gesitueerd tot het feestgedruis, dat gezien haar gehoorkwaliteit inmiddels verworden was tot en monotoon gezoem ergens in de verte. Toch slaagde ze er telkens weer in geïnteresseerd te luisteren naar iets dat voor haar moet klinken als een Boeing op 10 kilometer hoogte. Terwijl ik daar zat, nam ik een besluit. Ik had toch niets te verliezen, maar een meisje is voor een twaalfjarig jongetje ook al heel belangrijk. Ik zou haar dus moeten spreken, wat zei ik, ik móest haar spreken. Hoe dan ook. Ik besloot om onbereikbaar te spelen. Daar had ik ooit iets over gehoord, ik besloot dat dat de beste methode zou zijn. Dus zuchtte ik diep en stond op. “Zo” zei ik zo zelfverzekerd mogelijk, “ik ga even een eindje lopen”.
Achter het huis stonden een tweetal betonnen containers. Daarbovenop zitten, leek mij de beste manier om haar aandacht te krijgen. Ik zou dan een aantal keer kuchen en zuchten. Misschien zou ik zelfs fluiten, dan zou ze vast komen.
En ja hoor, na een kwartiertje, dat een uur leek te duren, ging de poortdeur open. “Hoi” zei ze en ze sprong naast me op de container. “Hoe heet jij dan?” Ik was even uit het veld geslagen, maar wist toch nog te antwoorden. “Oh, en ik heet Nathalie, maar dat wist je vast al”. Ik zal er stom bij hebben gezeten, staarde haar dom aan. “Kan je het zien?” vroeg ze, “Ken jij de buurt hier een beetje, ik heb wel zin om de boel te verkennen”. Ik mompelde iets bevestigends en sprong de container af, “Kom mee” zei ik terwijl ik al begon te lopen. En daar liepen we dan, naast elkaar door Bussum. Ik zei niet veel, zij des te meer. Ik had het idee dat ik bijna licht gaf in het donker, zo rood was ik. Ik zocht naar woorden om te zeggen, maar het enige wat ik scheen te kunnen doen, was vreemde klanken uitstoten. Ik was het eens met alles wat ze zei. Was ik mijn tong verloren, wat was er toch aan de hand ? Maar Nathalie liet zich door niemand tegenhouden en rende haast door het dorp. Ik strompelde er wat onbeholpen achteraan.
En toen, zomaar opeens, vroeg ze: “Heb jij eigenlijk een vriendinnetje?” Ik was weer uit het veld geslagen, zoveel directheid was ik niet gewend. “Neuh...” antwoordde ik. “En jij dan?” Tot mijn grote vreugde antwoordde ze ontkennend. Inmiddels waren we bij het speeltuintje aangekomen, ik ging zitten op een van de schommels en begon nonchalant te schommelen. Nathalie ging naast me zitten en praatte honderduit over van alles en nog wat. Ik probeerde te voorkomen dat ik telkens naast me keek en schudde in plaats daarvan telkens heftig mijn hoofd. Ik probeerde aandachtig te luisteren, maar dat idee leek bij voorbaat al verloren. “Ben je verliefd?” vroeg ze me. Mijn hoofd werd nog net iets roder dan het al was. “Tja” stamelde ik, “misschien”. “Ik wel”, zei ze, “nog niet zo lang” Ik wist niet waar ik moest kijken. Maar een nieuwe missie doemde op aan de horizon. Ik moest en zou weten wie haar hart sneller deed kloppen. Stiekem hoopte ik dat ik die persoon was, maar ik besloot dat ik mezelf niet gek zou laten maken. Dus overwon ik mijn schroom en vroeg haar wie ze dan zo leuk vond. “Ja, dat zou jij wel willen weten hè” zei ze, om het spannend te houden. Mijn missie was weer iets moeilijker geworden, want nu wilde ik hoe dan ook weten wie het was. Ik zou hem gaan stalken, ik zou hem vertellen dat hij geen kans maakte. Ik had het al helemaal uitgedacht hoe ik het zou aanpakken. Maar er zou weinig van terecht komen.