Nadat we wat op adem waren gekomen, stonden we op en liepen naar de trein die we dan wel zouden nemen. Plaats genoeg, zagen we toen we instapten. We ploften neer in de banken, het fluitsignaal klonk en daar gingen we. Bij het volgende station stapten we uit. We wachtten op de volgende trein. Beiden keken we hoopvol in de richting van waaruit de trein zou moeten komen. We keken. En keken. En daar kwam dan een trein. Hard denderde hij voorbij. We haalden wat te drinken en terwijl we afrekenden klonk daar door de boxen een bericht dat ons de hoop in de schoenen deed zinken. De trein die we wilden hebben, reed niet. Allerlei krachttermen vlogen door de lucht. Mensen keken verschrikt om, verstopten zich achter bankjes, vuilnisbakken en andere strategisch geplaatste obstakels. Wat nu, zeiden we tegen elkaar. We besloten de volgende Intercity te nemen. Want, zo dachten we, die rijdt vast wel weer gewoon. IJdele hoop, zo zou later blijken. Hoegenaamd op tijd reed de trein het station binnen. Nog steeds vrij druk, maar we zouden kunnen zitten. Alhoewel we het ook niet erg hadden gevonden om een uurtje te moeten staan. Wisten wij veel... Maar, zover ging het goed. De trein begon te rijden, en maakte vaart. We reden een enorme brug over, denderden door een station en draaiden naar rechts. Toen gebeurde er iets geks. De trein minderde vaart, remde zelfs. We keken elkaar opnieuw verschrikt aan. Maar wel hoor. We reden langzaam, langzamer... En stonden stil. Naast ons was gelukkig een perron. Gelukkig regende het niet en konden we buiten wachten. Na ongeveer een half uur stapten we terug de trein in, die begon zo waar te rijden.
Eindelijk kwamen we aan, stapten we weer uit. Liepen het station uit, de stad in. Op een terrasje aangekomen, achter een drankje, keken we elkaar nog eens aan en zeiden: "De volgende keer gaan we met de motor !"
Geen opmerkingen:
Een reactie posten