Voor een jongen uit Utrecht is Den Helder best ver. De andere kant van de wereld, zo voelde dat. Vooral wanneer je nog maar twaalf jaar oud bent. Maar ik had het er best voor over. Vroeg in de morgen stapte ik dus in de trein. Mijn rugzakje stevig tegen me aangedrukt. In mijn rugzak had ik drinken gestoken, snoepjes en koekjes om de wereldreis levend te overbruggen. Ik had ook Donald Duck meegenomen. Met al mijn kracht had ik een, in mijn ogen, dikke stapel gestopt in de tas, achter mijn snoep en drinken. Mijn vader drukte me op het hart in de goede trein te gaan zitten. In Den Helder zou ik van de trein worden gehaald door Nathalie's moeder.
De overstappen gingen goed en rond elf uur kwam ik in Den Helder aan. Ik zag haar moeder al op het perron staan. Naast haar stond Nathalie me toe te glimlachen. Ik glimlachte terug en versnelde mijn pas iets. 'Hey, ben je daar eindelijk' zei ze. En ik straalde van oor tot oor. Ik voelde me best trots, zo helemaal alleen met de trein helemaal naar het noorden. We stapten in de auto en ik ging achterin naast Nathalie zitten, ze schoof tegen me aan en pakte mijn hand vast. Ik had niets te zeggen, ik voelde me een beetje suf. Ze kneep me in mijn hand en vroeg me hoe de reis was geweest. 'Het was leuk, maar wel lang' 'Oh, dat is minder' We staarden synchroon naar voren. Haar moeder keek af en toe goedkeurend naar de achterbank en wisselde blikken van verstandhouding met Nathalie die deed of haar neus bloedde. Ik wist ook niet wat ik zeggen moest. We hadden elkaar al twee weken niet gezien en ik had de nacht voor het bezoek geen oog dichtgedaan. Ik had wel honderd keer op mijn wekker gekeken. Was zelfs een paar keer uit bed gesprongen om te controleren of de wekker wel op het juiste uur stond. Telkens stond hij nog goed. Ik had liggen draaien, was veel te vaak naar de wc gegaan. Had mijn spullen nog eens goed gelegd. Ik had een cadeautje gekocht, of nou ja, cadeautje... Een cadeaubon van een groot warenhuis. Ze wilde spullen voor het middelbaar, had ze gezegd. Ik wist niet waar ze van hield. Dus liet ik de keuze maar aan haar.
Een week daarvoor wist ik nog niet eens dat ze jarig was op de die dag. Maar ze had me er subtiel aan herinnerd. Een paar dagen van te voren kreeg ik een kaart. Hij zat in een roze envelop die ik verbaasd had geopend. In haar handschrift stond daar mijn naam. Met 'lieve' ervoor. Zelfs toen ik hem las, voelde ik me weer rood worden. Mijn ouders hadden gevraagd van wie hij was. Ik wilde het eerst niet zeggen, dus zei ik maar: 'Van iemand die jullie toch niet kennen'. Maar ze hadden doorgevraagd. Mijn vader was eerst niet zo enthousiast over een reis van mij naar Den Helder, maar mijn moeder praatte hem om. Ik was zo blij als ik maar zijn kon.
'We zijn er, kijk maar, daar woon ik' Met een schok werd ik wakker uit mijn dagdroom en keek rechts van me. Daar stond haar huis. Een huis zoals zo velen. Maar ik zag er fietsen voor de deur staan. Veel fietsen. Allerlei felgekleurde fietstassen en stickers zaten op die fietsen. Ik stapte uit de auto en stond wat onwennig op mijn benen te draaien. 'Kom mee' zei ze, en weer pakte ze mijn hand. 'Jullie hebben een mooie tuin' zei ik, wijzend naar hun sfeervol met straatstenen afgewerkt hofje voor het huis. Ze keek me verbaasd en aan en begon toen te lachen. Ik liep, of liever, werd meegesleept door Nathalie naar de deur. 'Al mijn vrienden zijn er al, ik wil ze graag aan je voorstellen'. Met het uitspreken van dat zinnetje bracht ze opnieuw een rode kleur op mijn wangen. Ik voelde me al langzaam onzeker worden. Hopeloos was ik, met nieuwe mensen. Nooit wist ik wat te zeggen, ik keek altijd maar een beetje naar mijn schoenen. Hopende dat de nieuwe mensen dan zouden weggaan of, beter nog, op zouden lossen. Deze keer zou ik er niet zo gemakkelijk van af komen. Waarschijnlijk zou ik handen moeten schudden, mensen moeten kussen wiens bestaan daarvoor mij nog volslagen onbekend was. Maar, ik vermande mezelf en stapte zelfverzekerd de kamer binnen. Nathalie ging voor me uit. Enthousiast kussend en handenschuddend baande ze de weg voor. Ze was precies zoals ze was toen ik haar voor het eerst ontmoette. Ik probeerde haar voorbeeld te volgen, maar op een bepaalde manier zag het er bij mij een beetje onbeholpen uit. Het werd ook stil in de kamer. Alle ogen waren op mij gericht. Ik wilde weer naar mijn schoenen te kijken. Maar, dat lukte niet. In plaats daarvan concentreerde ik me op een, vreemd genoeg, kerstbal die tegen het raam hing. Een kerstbal ? vroeg ik me af, het is toch juli ? Het deed niets af aan de blikken die me aanstaarden. Ik verzamelde al mijn moed en zei toen, iets luider dan ik wilde: 'Hallo en gefeliciteerd allemaal' Het bleef ook stil. Voor een moment zei niemand iets. Ze bleven me aankijken. Toen klonk uit de hoek van de kamer een lach. 'Haha, die is niet van hier' De anderen grinnikten en knikten instemmend. De stilte was voorbij, iedereen begon weer te praten met elkaar. Ik haalde opgelucht adem en nam een slok van de cola die me ondertussen in de hand gedrukt was. Gelukkig, dat was alvast achter de rug. Ik ging met een gerust hart zitten, Nathalie naast mij. Ze kneep me in de hand en kuste me op mijn wang en zei: 'Ik ben blij dat je er bent'. En dat was ik ook. Blij dat ik daar was.
zaterdag 28 juni 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
dit verhaal doet me wat denken aan die boeken van Mark De Bel. Komt er nog een vervolg?
Een reactie posten