woensdag 31 december 2008

zondag 28 december 2008

Oh, en de rust...

Het is aan het einde van de dag. Alles is in rust. De vogels hebben hun gekwetter gestaakt, ze schreeuwen niet meer. Zelfs de bomen lijken zich niet meer door de wind te laten verleiden om heen en weer te zwaaien, ruisend en fris. Vanavond laten ze hun takken hangen. In het schemerdonker fietst een man door het park. Z'n fiets slingert een beetje en piept en kraakt als hij het bruggetje oversteekt. Achter hem aan rent een vrouw, heel even lijkt het alsof ze elkaar achtervolgen. Dan slaat de man rechtsaf en loopt de vrouw rechtdoor. Nog verderop loopt een koppel innig gearmd, ze kijken elkaar van tijd tot tijd diep in de ogen en lopen dan verder. Als ze op het bruggetje staan, leunt de vrouw tegen de man aan, hij slaat zijn armen liefdevol om haar heen. Ze genieten samen van de heldere sterrennacht. Terwijl ik op mijn balkon sta en een zucht slaak, bedenk ik me: dit is geen nacht om te slapen. Maar ja, ik neem nog één slok van mijn wijn en draai me dan om, knip het licht uit en val in mijn bed.

vrijdag 19 december 2008

Mijn nieuwe buurtgenoten

Ik heb een nieuw huis. Sinds een paar weken woon ik in een appartement op de eerste verdieping van een mooie flatgebouw. Het flatgebouw staat pal tegenover het park. En voor mijn raam staat een grote boom. Zo'n boom, zoals je ze vroeger tekende op school. Takken weid uitgespreid over het gras. Onder die boom zitten dikwijls vogels, in de boom ook. Ze zingen dan.
Nadat ik alles een beetje had ingericht, was ik er eindelijk aan toe gekomen om eens te kijken en luisteren wat er zoal om mij heen gebeurde. Zo'n flat is een mini-samenleving. Mensen van allerlei pluimage, rangen en standen wonen samen op -zeg- 250 vierkante meter. Een van mijn flatgenoten is een oudere dame, ik schat haar zo eind zeventig, begin tachtig. Ze loopt de hele dag in haar ochtendjas. Ze heeft de gordijnen stijf dicht. Een week geleden werd er een pakje bezorgd voor mij, en zij had het aangenomen. Omdat ik niet thuis was, kon ik het later ophalen. 's Avonds belde ik bij haar aan, maar ze deed niet open. De volgende dag probeerde ik het nog eens. Weer geen reactie. Toen ik eindelijk gehoor kreeg, deed ze open. Ze keek me van om het hoekje aan. Ze had de deur op een kiertje. Haast kreeg ik de neiging om te zeggen dat ik van de Jehova's Getuigen was. Toen ik zei waar woonde, en wat ik wilde, schuifelde ze terug het huis in en kwam terug met het pakket. De deur deed ze niet veel verder open, de duwde het pakje door de smalle opening tussen de rand van de deur en de deurpost. "Bedankt", zei ik nog. Maar nee hoor. De deur werd dichtgedaan, allerlei sloten hoorde ik gesloten worden.
Een andere buurvrouw heeft een hond. Een grote blonde labrador-achtige sneeuw-sint-bernard-retriever. Aangezien de hond al zo'n zes jaar geen bad meer van dichtbij heeft gezien, draagt het beest een lucht bij zich waar een ongewassen bouwvakker spontaan een toeval van zou krijgen. De vrouw lijkt immuum te zijn voor de lucht. Hoe dan ook, ze slaagt erin om tamelijk nonchalant naast de hond te staan en ondertussen met mij te praten. Praten is in dit verband eigenlijk een zware overschatting van de monoloog die op me afgevuurd wordt. Met een hand houdt ze de liftdeur tegen, terwijl ze met de andere hond liefdevol het kleine hokje in probeert te trekken. Een normaal mens zou hier zijn handen al vol aan hebben, maar zij niet. Ze begint druk te praten en slaagt er in die wat alternatieve Yoga-houding in er ook nog bij te gebaren. De hond kijkt dan wat hulpeloos voor zich uit. Alsof hij zeggen wil: "Ik kan er ook niets aan doen..." Gelukkig ontsnap ik iedere keer weer aan haar aandacht, maar als ik haar aandacht heb... Berg je maar.
Met deze verhuizing heb ik weer een vat van nieuwe mensen opengetrokken. Mensen die zich bijzonder goed lenen om beschreven te worden.

vrijdag 31 oktober 2008

Het is zover: waterschapsverkiezingen !

Ja, hoera ! Het is weer zover. De waterschapsverkiezingen ! Is dat niet iets waar we allemaal naartoe leven, elke vier jaar weer ? De fijne verkiezingen, met de thema's die iedereen zo aanspreken. Vanavond stond ik nog bij te komen van een supermarktbezoek toen ik recht in het gezicht van de lijsttrekker van een partij staarde. Vanaf de poster keek hij mij glimlachend aan. Een rij parelwitte tanden en strak kapsel versierden zijn hoofd. Ik glimlachte uit verplichting terug. Nu ben ik mij altijd bijzonder bewust van de burgerplicht die op mijn schouders drukt. Dus op de fiets naar huis bedacht ik me dat ik nog moest stemmen. Ik besloot daarom om wat harder door te fietsen. Misschien dat er ergens tussen de bosjes politieagenten zouden verscholen zitten. Misschien sprongen ze er wel uit en hielden ze me tegen. Ik zag het al helemaal voor me. "Zo, waar gaan wij naartoe ?" Ik zou dan nonchalance veinzen en antwoordden: "Naar huis, oom Agent, ik ga mijn burgerplicht vervullen en stemmen voor de waterschapsverkiezing. Doen we dat niet allemaal ?" Ik wist zeker dat ze daar van onder de indruk zouden zijn. Ja, ik zag die agent al een traantje wegpinken in zijn rechterooghoek. Want, zijn agenten ook niet net mensen ? Zij het dan zwaarbewapende en constant in meervoud sprekende mensen. Maar toch, mensen. Ik zou dan een bemoedigd schouderklopje krijgen en hij zou "We zijn goed bezig, jongen" zeggen. Dan zou ik op mijn fiets stappen en snel, goed verlicht, doorfietsen. Thuis aangekomen, stormde ik de trap op. Startte snel mijn laptop en begon driftig te zoeken naar een geschikte kandidaat. Niet dat ik wist op wie ik moest stemmen. Maar stemmen zou ik. Dat bleek nog best een onderneming. Je schijnt je te moeten registeren vooraleer je mag stemmen. Ik sloeg met mijn vuist op de tafel, die maakte van schrik een heel klein sprongetje. Maar, ik vulde snel de formulieren in en zond ze naar de bevoegde instantie. Met een zucht bedacht ik me, dat me nu niets verweten kon worden. Het hele weekend ga ik nu dus nadenken op wie ik moet stemmen tijdens deze levensveranderende verkiezingen...

zondag 26 oktober 2008

Eindelijk, eindelijk... Voorbij

... De bussen laten op zich wachten. Wij zijn het, die wachten. De lichten knipperen in de trein. Ik weet me even geen raad. Het lijkt maar te duren. Een kwartier gaat voorbij. Niemand die iets weet. Niemand die iets laat weten. Ik begin me te vervelen. De mensen om me heen beginnen weer op te staan en lopen heen en weer door de coupé. Ze kijken me aan, verwachten antwoorden van mij. Maar ik kan ze niet geven. Ik vraag me in stilte af of er nog iets gaat gebeuren. Maar... er gebeurt niets. Dan komt m'n collega voorbij lopen. Ik zet een stap vooruit en probeer hem tegen te houden. Hij mompelt iets: "Ze kunnen ons niet vinden". Ik verbaas me en loop achter hem aan. "Wat bedoel je ?" vraag ik hem, terwijl we in een vreemde polonaisse achter elkaar aan lopen. "Nou, zoals ik het zeg, ze kunnen ons niet vinden..." "De bussen ?" Er volgt een knik en hij loopt door. Ik vertraag mijn pas. Ik schud mijn hoofd. En laat mijn armen moedeloos langs mijn lichaam hangen. De bussen kunnen ons niet vinden. Bussen, in het donker door het brabantse land. Een trein die, verlicht, zich uitstrekt over een lengte van ongeveer 500 meter laat zich moeilijk vinden. De verlichting knippert nog een keer. Weer laat ik me vallen op één van de stoelen. De kraakt weer de omroep. Ik luister niet eens meer. Ik hoor woorden als: bus, trein, donker, onvindbaar. Ik zucht. Hoe kan dit nou...
Dan, eindelijk, na drie uur wachten hoor ik dat er een trein vanaf Tilburg komt. Een trein. Zouden we dan eindelijk weer gaan rijden ? Diezelfde vraagt ressoneert door de trein. Iedereen stelt dezelfde vraag. Aan mij, aan elkaar en aan iedereen die het maar horen wil. Het blijft bij geruchten. En ik vrees weer voor een dooie mus. Maar die komt niet. Want, gedurende een kwartier loop ik door de trein. Probeer ik mensen te helpen, zo goed als ik kan. En die schokt de trein. Ik hoor gekraak. Even vrees ik voor een nog grotere ramp dan die al was... Maar, die blijft uit. Na meer dan drie uur begint de trein weer te rijden. Eindelijk !

donderdag 16 oktober 2008

En het wachten ging door

... En de tijd tikte rustig verder. We wisten niets, werden heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop. De mensen in de trein begonnen geïrriteerd rond te lopen. Ze voelden zich opgesloten als dieren in een hok. En rijdend hok, of een hok dat rijden zou moeten. De reizigers klampten me aan terwijl ik rustig door de trein liep. "Nu mis ik mijn aansluiting", klonk het uit de verschillende coupés. Ik wist niet wat te zeggen, wat te doen. Mijn collega lijkt op te zijn gegaan in de massa. Niets hoor ik van hem. Een klein meisje begint zachtjes te huilen. Ik krijg bijna zin om met haar mee te huilen, maar ik weet me te beheersen. Zoveel als ik kan, beantwoord ik de vragen die op me afgevuurd worden. Ik voel me machteloos. Een uur gaat voorbij. Het begint warmer in de trein te worden. Niet alleen de loc, maar ook de klimaatbeheersing lijkt de geest te hebben gegeven. De verlichting begint te knipperen. Snel ren ik naar de schakelaar en doe de verlichting weer aan. Ik draai me om en wil terug lopen naar de deur waar ik bij stond. Dan zie ik dat er bij het volgende rijtuig ook geen verlichting meer brand. Met mijn zaklamp loop ik tussen de mensen door naar de schakelaar. Mensen houden me tegen en beginnen tegen me te praten, ze verheffen hun stem. "Meneer, dit kán toch niet ?" vragen ze me. Ik schud mijn hoofd en zeg dat het me spijt. Ze laten me gaan en ik loop door. Na een druk op de knop, schiet de verlichting weer aan. Ik besluit verder door de trein te lopen, op zoek naar mijn collega en probeer zoveel mogelijk nog meer vragen van nog meer antwoorden te voorzien. "Ik heb een examen, hoe moet dan nu ?" Ik leen mijn telefoon aan de mensen uit, aan hen die hun vrienden, echtgenoten, vaders, moeders, oppasopa's en buren willen inlichten. "Gaat het nog lang duren ?" vraagt een oudere vrouw me. "Mevrouw, ik weet het eerlijk gezegd ook niet, we doen ons best..." Ik laat mijn schouders hangen en kijk op mijn telefoon om te zien hoe laat het is. Bijna anderhalf uur is voorbij nadat we tot stilstand zijn gekomen. Dan klinkt er weer gekraak door de luidsprekers. "Eh, dames en heren... 't Gaat nog wat langer duren. Er komt een, eh, andere trein uit Roosendaal, die ... doen ze ertegen aan. Dan gaan we weer rijden. Totdat die trein er is, moeten we nog een half uurtje wachten" Einde bericht. Ik ben blij dat we eindelijk wat meer weten. Ik loop iets zelfverzekerder door de trein. "Nog een half uur" roep ik tegen wie het maar horen wil. Ik beantwoord weer vragen en zoek voor de reizigers hun aansluitende treinen op. Als ik daarmee klaar ben, alhoewel er geen eind aan lijkt te komen, kijk ik weer hoe laat het is. Bijna 25 minuten voorbij. Die trein moet er nu toch wel zijn, bedenk ik me. Ik probeer mijn collega te bereiken. Hij vertelt me dat de trein er inderdaad is. Ik veer op. Op net zo hard weer terug te vallen. "het koppelen loopt niet zo lekker..." "Hoe bedoel je: niet zo lekker ?" vraag ik hem, even is het stil aan de andere kan van de lijn. "Nou ja, het lukt niet..." "Met andere woorden..." De reizigers die bij me staan, luisteren mee en kijken me verbaasd aan. Die verbazing slaat al snel om in boosheid. Ze zetten een paar stappen vooruit en kijken me boos aan. Ze beginnen weer allerlei vragen te stellen. Ik kijk hen aan en probeer, weer, antwoord te geven op al hun vragen. Dan gaat mijn telefoon. Ik loop een stukje door en neem de telefoon op. Een stem aan de andere kant begint een heel verhaal over de verstoring. Ik leg de stem uit wat er in de trein aan de hand is. "Maar er zijn bussen besteld, ze zijn onderweg" zegt de stem, "En zijn komen jouw kant op" Ik slaak een zucht van verlichting. Via de portofoon probeer ik mijn collega te informeren. Die reageert haast juichend. Ik hoor de luidsprekers weer kraken. Verschillende reizigers laten een ingehouden juichkreet horen. Ik loop wat meer uitgelaten door de trein heen. De mensen kijken me weer aan, maar ditmaal vrolijk. Het enige wat we nu moeten doen, is wachten...

maandag 6 oktober 2008

Deze trein rijdt niet verder

De regen komt met bakken uit de hemel. Op mijn fiets vecht ik mij een weg tussen de druppels door. Althans, dat probeer ik. Haast doorweekt kom ik op het station aan. Ik schud me uit, de hele vloer rondom mij is direct getransformeerd in een modderpoel. Ik haal mijn schouders op en loop door. Nadat ik al mijn attributen heb ingesteld stap ik de eerste trein in. Die komt al snel in beweging, we rijden Utrecht uit, richting Arnhem. En het blijft maar regenen. De reizigers kijken vermoeid voor zich uit. Ze zitten er verveeld bij. Ik sluit me aan bij het collectieve gevoel van verveling. We denderen tussen de heuvels en velden van de Utrechtse Heuvelrug door. Dan komen we aan in Arnhem. De mensen dringen bij de deur om maar zo snel mogelijk weer in de regen te kunnen staan. Ik hou mijn handen boven mijn hoofd en ren snel naar de koffie. Ik kan niet vermijden toch ook weer nat te worden. Het weer maakt me een beetje chagrijnig. Op het andere perron staan al mensen te wachten. Zodra ik erbij kom te staan, begint iedereen meteen allerlei vragen te stellen. Geduldig laat ik de mensen uitpraten en beantwoord hun vragen. Het dagje kabbelt rustig verder, net als de regen die niet lijkt te stoppen. Met luid gepiep en gekreun komt de trein aan het perron tot stilstand. Zodra de reizigers zijn uitgestapt, stap ik in en zet mijn tas in het hokje, zodat niemand er bij kan. Ik kijk op de klok, nog twintig minuten. Koffie dan maar, denk ik. Door de regen loop ik naar de kiosk en koop een kopje koffie. Ik warm mijn handen aan de koffie en loop terug naar mijn trein. M'n collega is er inmiddels ook. We bespreken samen de weerstoestand en besluiten dat het rotweer is. Gezamenlijk zo'n conclusie trekken kan enorm bevorderend werken voor je gemoedsrust. Als het tijd is, sluiten we de deuren en komt de trein langzaam in beweging. Vanuit de trein zien we de regen nog steeds stromen. We zuchten allebei diep en kijken verveeld voor ons uit. We rijden Nijmegen voorbij, passeren Oss en arriveren in 's-Hertogenbosch. Er is weer wisseling van de wacht. Met chagrijnige gezichten werken de reizigers naar buiten, daar staat hun aflos te wachten. Met minstens zulke chagrijnige gezichten wurmen zij zich naar binnen en zoeken een plekje. Weer sluiten we de deuren en begint de trein te rijden. Langzaam rijden we het station uit. De trein maakt vaart en om ons heen begint het langzaam donker te worden. Nog donkerder en troostelozer dan het al was. De koeien in de wei staan dom voor zich uit te staren. Hun vachten zijn doorweekt van het water. Fietsers houden hun handen of tas voor het gezicht om de schade te beperken. Ik kijk er met een glimlach op het gezicht naar, me gelukkig prijzende om niet daar te moeten zijn.
Dan, opeens, remt de trein abrupt. Ik kijk verbaasd om me heen. Mijn collega haalt zijn schouders op en roept iets technisch. Ik snap niet waar hij het over heeft en hou me vast aan een van de handgrepen in de trein. De trein begint harder te remmen. Dan een schok komen we tot stilstand. Ik kijk nog een keer naar mijn collega. Hij neemt contact op met de machinist. Door mijn portofoon hoor ik termen als: kapot, technisch probleem... Ik slaak een diepe zucht. Mijn collega staat op en begint door de trein te lopen, niet wetend wat ik doen kan, loop ik achter hem aan. Reizigers kijken ons verbaasd aan, ik kijk verbaasd terug. "Wat is er precies aan de hand ?" vragen ze ons. Ik herhaal de vraag tegen mijn collega, alleen ik krijg geen reactie. Ik blijf achter hem aan lopen, vragen ontwijkend en blikken vermijdend. Ik voel me een beetje rottig. Als we halverwege de trein zijn, draait hij zich om. "Doe je sleutel maar even in het kastje. De loc is kapot" Ik draai de sleutel in het kastje en wil hem nog vragen wat er precies aan de hand is. Die kans krijg ik niet. Hij loopt hard door. Ik kijk verbaasd om mij heen. Tegenover me zit een mevrouw met een hond op schoot angstig om zich heen te kijken. "Wat is er aan de hand meneer" vraagt ze me. Ik glimlach haar vriendelijk toe, hopende dat, dat mijn ontwetendheid iets zal maskeren. Ze geeft haar hond een aai over zijn kop en kijkt een beetje verdwaasd om zich heen. Ik probeer contact op te nemen met mijn collega, maar die geeft niet thuis. Dan klinkt er gekraak uit de omroepinstallatie. "Test, test... - ja, hij doet het- dames en heren, de loc heeft de geest gegeven. Dus, tja, we kunnen even niet verder." Einde bericht. Ik rol mijn ogen en ga zitten. Er gaat een kwartier voorbij. En nog een kwartier. Achter de schuifdeuren vandaan komen allerlei kreten, mensen beginnen heen en weer te lopen. Ik wil ze wel wat vertellen, maar weet ook niets. Ik probeer weer contact op te nemen met mijn collega. "Wacht maar even" is zijn reactie. Dus, ik wacht weer. Met mij ook de 250 reizigers. Er gaat weer een kwartier voorbij. Dan gaan ook de lampen uit. En het wachten kan beginnen...

woensdag 1 oktober 2008

Ik raak altijd alles kwijt

Als mijn neus niet vastzat, verloor ik die ook. Ik raak altijd alles kwijt. De meest gekke dingen, waarvan je je afvraagt of het überhaupt kwijt te raken is, die raak ik kwijt. Gisteren werd ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. Enthousiast sprong ik op de fiets om fietslichtjes te gaan kopen in het winkelcentrum. De vorige was ik, je raadt het al, kwijtgeraakt. Ik wist niet waar ik ze gelaten had, ik had mijn hele kamer op z'n kop gezet, een dramatische poging om ze terug te vinden. Maar, ik vond ze niet. Dus, kocht ik nieuwe. Na ze afgerekend te hebben, steek ik mijn portemonnee terug in mijn zak. En wat voel ik daar ? Jawel hoor, twee lichtjes. Ik zucht maar weer eens diep en verbaas me over mijn eigen verstrooidheid. Het is maar een voorbeeld. Want het kan nog erger. Zo heb ik een pasje waarmee ik met de trein kan reizen. Daar waar alle andere mensen dat pasje altijd in de aanslag hebben en geen moment uit het oog lijken te verliezen, gaat dat bij mij dus -tja- ietsje minder goed. Want zo'n pasje, dat is dus alweer een ramp in wording. In mijn geval dan... De mogelijkheid van ermee te kunnen reizen, vond ik niet afdoende. Nee, ik moest weer zo nodig proberen ermee geld af te halen. Af en toe word ik zo moe van mezelf. Voor mijn werk heb ik een klein computertje, op dat computertje kan ik informatie over de treinen terugvinden. Heel handig, zeg je nu waarschijnlijk. Dat is helemaal waar. Maar... alles wat los mee te nemen is, raak ik kwijt. Losse voorwerpen moet men door middel van ingenieuze constructies aan mij vastmaken. Zodat ik het nooit, maar dan ook nooit, kwijt kan raken. Dat pasje blijk je kwijt te kunnen raken. De situatie is dan als volgt: Verontwaardigd zet ik dan het hele bedrijf op zijn kop. Ik zoek alle plekken af waar ik geweest zou kunnen zijn. En vind het computertje niet terug. Ik word zo moe van mezelf. Geef mij een telefoon, ik raak hem kwijt. Geef mij een pasje, ik raak hem kwijt. Sleutels ? Een roestvrijstalen garantie voor catastrofale gebeurtenissen. Ik vraag me in alle eerlijkheid af hoe het ooit moet gaan als ik kinderen zou hebben.
Het stomste is nog altijd dat ik heel boos word op het moment dat ik iets kwijt ben. Ik raak in een soort blinde paniek, ik keer alles ondersteboven en scheld de hele boel bij elkaar. Mijn hele uitgebalanceerde persoonlijkheid gooi ik te grabbel. Een goede vriendin heeft al aardig wat ervaring opgebouwd met het terugvinden van mijn spullen. Laat ik een voorbeeld noemen: men neme een toegangspas, men neme mij. Werp die twee bij elkaar, je voelt hem al aankomen. Kwijt ! Je zal mij met rood hoofd door mijn kamer zien lopen, allerlei verwensingen aan mijn eigen adres in het rond slingerend. Dan is zij daar. Op dat soort momenten zit ze rustig op de bank. Ze neemt de situatie in zich op en denkt er grondig over na. Ze doet een suggestie, ik noem een willekeurige: "Heb je al in je portemonnee gekeken ?" Een verbaasde blik van mijn kant is haar deel. Ik begin als een gek in mijn portemonnee te graaien en vind de pas niet terug. Ze blijft rustig zitten, en pakt dan de portemonnee van me over. Doet hem open, kijkt er even in en pakt dan rustig mijn pasje te voorschijn. Ik kijk, zo mogelijk, nog verbaasder en neem het pasje aan. Zucht, ik word soms zo moe van mezelf.

dinsdag 23 september 2008

Daar zit een luchtje aan

Luchten kunnen een vreemde emotie oproepen. Vroeger, als ik bij mijn opa en oma logeerde, rook het daar ook anders dan thuis. Mijn oma was dan druk in de weer met het maken van het middagmaal. Ik hielp haar vaak. Soms zat ik buiten met een vreemd klein molentje bonen naar de eeuwige jachtvelden te helpen. Of, ik schilde de aardappelen, waarna ze als friet verder door het leven ging. Terwijl we dat deden, zette mijn oma een verse pot koffie. Die twee luchten door elkaar heen roken heel apart. Maar zo vertrouwd. Het blijft vreemd als je jaren nadien eraan denkt, je de lucht weer ruikt. Je de sfeer weer ervaart. Maar, uitleggen hoe iets ruikt, is heel moeilijk. Soms praat je met iemand over hoe iets rook of ruikt. Je begint allerlei accessoires erbij te slepen, roept dingen als: "bos, vis, versgebakken appeltaart". Je gesprekspartner kijk je niet begrijpend aan en schudt zijn of haar hoofd in volslagen verwarring en onbegrip. Wanneer ik mijn zus of broer vertel over hoe vroeger bij opa en oma rook, weten ze direct waar ik het over heb. Ze weten het want, ze waren erbij. Ze hebben het zelf geroken. Ze kennen de geur. Maar, leg ik het uit aan iemand anders die er nooit geweest is, snap die er niets van.
Het is een stuk eenvoudiger om uit te leggen hoe iets eruit ziet. Je kan de kleur en de vorm benoemen. Dan praat het een stuk makkelijker. Wil je daarentegen een persoon omschrijven, gaat het al weer moeilijker. Ik merk dat ik het lastig vind om iemand objectief te beschrijven. Je begint te praten over grote neuzen, vreemd haar of droevige ogen. Een verdwaasde blik is je deel. Misschien dat het net zo is met geuren. Je emoties komen al snel om de hoek kijken. Niet dat je in lachen of tranen uitbarst, maar geheel objectief beschrijven - 't lukt je niet. Ach, dan heb ik het nog niets eens over smaken gehad...

dinsdag 16 september 2008

Als je om je heen kijkt, zie je zoveel

Een grote hond, veel te harig en een lucht om zich heen... Niet te harden. Een oud stelletje, 55 jaar zijn ze al samen vertellen ze me. Ze lachen als ik vraag hoe lang ze nog moeten. Een man die verliefd kijkt naar de vrouw tegenover zich. Een jongen met een stripboek in zijn handen, zijn moeder die druk praat aan de telefoon. Twee studenten die strijden om het langste haar. Een zakenman die druk op zijn Blackberry aan het werk is. Een meisje dat zich verliest in de muziek die ze luistert. Twee Japanners die hard lachen om een film die ze op hun laptop kijken. Een mevrouw die me bang aankijkt en vraagt of ik heel even bij haar wil blijven. Want ze is zo bang. Ze is op de vlucht. Een groep spaanse toeristen die hard praat. Een mevrouw die net op tijd binnen springt. Een meneer die hard lacht, een vrouw die zachtjes huilt.
Ik zie ze iedere dag, en zoveel meer...

dinsdag 9 september 2008

Een late ontmoeting

Terug naar huis, op de fiets. De brug over, met aan de rechterkant een rij woonboten dobberen op het water. Het is best koud. Als ik uitadem, vormt zich een klein wolkje voor mijn gezicht. Ik probeer harder te blazen, grotere wolken wil ik. Ik grijns een beetje ongemakkelijk. Probeer niet luidop te lachen, ik hoop dat niemand kijkt. We hebben een gezellige avond achter de rug. Ik heb gelachen, gegeten, gedronken en lol gehad. Bijna rij ik een ouder dametje voor me aan. Net op tijd gooi ik mijn stuur om, cross een beetje onhandig over het gras in de berm. Ternauwernood weet ik de weg weer te bereiken. Beneden aangekomen rem ik af voor het verkeerslicht dat op rood staat.
Dan springt er een schim voor me op het pad. Beiden handen gaan in de lucht. Ik probeer te ontwaren wie of wat er voor me staat. Ik rem iets fermer.
“Meneer, pardon...” hoor ik een stem zeggen. Ik stop en doe mijn oortjes uit mijn oor, de muziek speelt door terwijl de mini-luidsprekers op mijn jas rusten. De mevrouw, zo ontdek ik, ziet er moe uit. In het donker zie ik haar jas gescheurd is. Haar broek past niet goed bij de jas. Haar ogen komen niet overeen met de felle kleuren van de shawl die ze om heeft.
“Sorry meneer, ik wilde u niet laten schrikken” zegt ze.
“Dat geeft niet, wat is er? Kan ik u helpen” zeg ik.
Ze kijkt me droevig aan en begint haar verhaal. Af en toe veegt ze haar neus af. Ik luister naar het relaas dat ze me toevertrouwt.
“Ik kom net van de politie, het is misschien een vreemd verhaal. Maar ik weet even niet wat ik moet, en ik zag u zo fietsen en vroeg me af of u me helpen kan”
Ik kijk haar verbaasd aan en knik haar begrijpend toe.
“Ze zeggen dat ze niets voor me kunnen doen. Maar ik ben zo bang. Mijn ex rijdt hier ook ergens rond, en ik ben bang voor hem. Ik heb het adres van een Blijf Van Mijn Lijf-huis, kent u dat ?”
“Jawel, maar wat kan ik dan voor u doen ?”
“Wel, ze zeggen dat het helemaal in Enschede is, en ik weet niet hoe ik er naartoe moet. Maar hier wil ik niet blijven... Als u een paar euro hebt, ik heb niet genoeg voor een treinkaartje.”
Ze ziet er gehavend uit, haar haar zit door de war. Ze heeft het weggestopt onder een muts die haar oren net niet bedekt. De oren, die zitten vol met allerlei prullaria, het glanst in het licht van de straatlantaarns.
“Heeft u wat geld voor me ?” vervolgt ze haar verhaal. Ik neem haar eens goed in me op. Ze ziet er oprecht bang uit. De angst straalt uit haar ogen. Haar handen trillen en tranen branden in haar ogen. Ik kijk om me heen. Voel me ineens ook niet zo veilig meer. Ik wil geld pakken, maar bedenk me dat ik niets meer bij me heb. De laatste trein heeft ze ook gemist. Enschede bereiken zal niet meer lukken, realiseer ik me. Ik zeg het haar.
Haar ogen kijken me verschrikt aan.
“Ik kan toch niet onder een brug slapen ?”
Mijn hersenen draaien op volle toeren. Waar kan deze vrouw slapen ? Vraag ik me af. Dan herinner ik me ineens dat er pal achter ons een gebouw van het Leger Des Heils staat. Ik denk heel even na, en raad haar dan aan daar naartoe te gaan.
Een zucht van verlichting klinkt uit haar mond. Ze kijkt me dankbaar en loopt dan in de richting waar ik haar heen stuur. Ik kijk haar even na en stap dan weer op mijn fiets. De muziek zet ik uit en rij richting mijn huis. Ik kan even niet meer lachen. Ik weet niet zo goed wat ik denken moet. Ik twijfel aan het verhaal dat ik hoorde, maar maak me wel zorgen over deze vrouw en wat haar overkomen is. Terwijl ik verder fiets bedenk ik me hoe goed ik het heb. Maar ook hoe oneerlijk het is. Ik bedenk me hoeveel anderen er op diezelfde manier rondlopen. Zonder geld, zonder vrienden, zonder iemand. Ze hebben buiten zichzelf misschien wel niemand meer. Mijn stemming slaat om, ik fiets door. Kijk niet meer om me heen, maar trap flink door naar huis. Voor die vrouw hoop en bid ik dat het goed zal komen. Ik hoop en bid het. Oprecht.

donderdag 4 september 2008

Zomaar een gesprek uit de trein

"Ja, ik ben best een beetje een rare natuurlijk"
"Aha, echt waar joh?"
"Ja, ze zeggen het allemaal. Niet dat het me wat doet natuurlijk. Ze zeggen dat ik veel praat, dat ik haast niet te stoppen ben. Sommige mensen vinden me zelfs irritant. Snap jij dat nou?"
"Mwoah..."
"Maar goed. Hoe gaat het eigenlijk met jou?"
"Goed, ik ben net begonnen op een nieuwe job. Je weet wel, dat grote bedrijf bij die brug in de buurt van het huis waar Richard nog eens zou gaan wonen"
"Oh ja, leuk huis was dat hè?"
"Ja, nou ja, leuk. Beetje klein. Hoe gaat het eigenlijk met je vriend?"
"Goed, goed. Lekker hoor. Hij heeft het telkens over zijn ex-vriendin"
"Haha, echt joh?"
"Ja, haha, grappig hè? Hij vergelijkt ons met elkaar"
"Oh, echt waar joh? Lijken jullie zoveel op elkaar?"
"Haha, niet echt. Naja, dat is natuurlijk ook niet helemaal waar. We hebben allebei blond haar, praten best veel. Zij heeft zo'n rare neus, je weet wel, zo'n grote"
"Jij niet dan?"
"Nee"
"Oh..."
"Of wil je zeggen dat ik een grote neus heb? Is dat wat je bedoelt. Ik heb toch geen grote neus? Kijk maar..."
"Okay, hij is niet zo heel groot"
"Nee, nou dan. Haar neus is echt groot. Niet normaal meer hoor..."
"Er valt zo'n schaduw over haar gezicht"
"Whahaha, inderdaad. Grappig toch"
"Je zal 't maar hebben"
"Oh ja, was dat vroeger niet zo'n programma op tv?"
"Wat was een tv-programma?"
"Dat wat jij net noemde"
"Wat noemde ik dan?"
"Een tv-programma. Nee? Nou ja, in ieder geval, zoals ik dus zei, ik weet het niet"
"Wat weet je niet?"
"Wat ik vanavond ga eten"
"Eten? Oh ja, tja, dat weet ik ook niet"
"Wel gezellig om zo weer es met je te praten"
"Gezellig hoor"
"'t Is ook zo'n tijd terug"
"Daarom"
"Ik heb echt gevoel dat onze gesprekken altijd ergens over gaan"
"Nou... wat je zegt..."

dinsdag 26 augustus 2008

Hokjes en vakjes

Ik heb de onbedwingbare neiging om mensen in vakjes te plaatsen. Naar mijn mening maakt dat het leven een stuk overzichtelijker. Zo heb ik een beeld van mensen die een vouwfiets gebruiken. Het zijn namelijk vrouwen. Niet altijd, maar wel vaak. Je zal me misschien oppervlakkig vinden nu ik dit zo schrijf. Maar als je ze ziet, zal je waarschijnlijk nog denken aan hetgene dat je nu hier leest. Het zijn van die vrouwen die pasteltinten dragen. Niet dat ze zichzelf iedere dag weer onderschilderen, maar ze dragen kleding in die tinten. Ze hebben ook een vreemde voorliefde voor sandalen en linnen broeken. Ze hebben vaak een tas bij zich, gemaakt van materialen waarvan ik me afvraag of het wel al dood is... Naast zich sleuren ze de fiets mee. Ze hebben een zelfverzekerde blik in de ogen en lopen recht op hun doel af. Ze stellen me vragen over de vertrektijden en springen dan op hun fiets. De fiets lijkt een verlengstuk van hun 'ik' te zijn. Kom je aan de fiets, kom je aan hen. Het kan zelfs een beetje beangstigend zijn.
Ik heb de neiging om mensen in vakjes te plaatsen. Het maakt het leven een stuk overzichtelijker.

maandag 25 augustus 2008

Het einde is voor andere enkel het begin

Drie levens, drie klappen, drie maal een einde. Driemaal een leven voorbij, driemaal een leven veranderd. Niet voor even, maar voor altijd. Een klap die misschien fracties van seconden duurt, misschien zelfs maar één fractie. Maar een dreun die lang voorduurt, in geesten van mensen die, die dag nog op stonden vol goede moed. Zich klaarmaakten. Die uit hun bed stapten en zich wasten. Hun brood smeerden, zich afvroegen waar ze heen gingen. Ze stapten hun auto's in, reden de rustige snelweg op. Melden zich voor hun werk en gingen op pad. Ze lachten naar hun collega's en dronken nog een kop koffie en installeerden zich. Niemand die hen waarschuwde, niemand die hen inlichtte. Niemand die hen kon inlichten, al zouden ze willen. Ze gingen zitten, nietsvermoedend. Ze genoten wellicht van de zonsopgang.
Even verderop stonden ze ook op. Wasten zich, zich afvragend wat de zin van het alles was. Liepen naar buiten, merkten het zonlicht niets eens op. Keken naar boven, vroegen zich af waar ze werkelijk heen gingen. Misschien dat ze door het bos liepen, misschien dat ze luisterden naar het gefluit van de vogels. Misschien dat het hen niet eens opviel. Misschien hoorden ze het niet eens. Ze liepen door. Als door een ongrijpbaar gevoel gegrepen, murwgeslagen door hun emoties. Al dood voor ze stierven. Ze liepen doelgericht, automatisch op hun doel af. Ze stonden daar, keken waarschijnlijk niets eens meer op of om. Ze stonden daar, wachtend... Hopend op verlossing.
En zij zaten, keken op het tafereel voor zich. Vroegen zich misschien af wat ze eten zouden die avond. Of wat ze kopen moesten voor die verjaardag van binnenkort.
En toen was er een klap. En klap die een lijden zou beëindigen, maar een ander zou beginnen.
Drie levens beëindigd, de andere drie getekend. Niet voor even, maar voor altijd.

zaterdag 23 augustus 2008

Een gedachtenstroom die zich niet laat bedwingen

Ik zou zo graag alles begrijpen. Tot in het kleinste detail. Ik zou alles door willen hebben en alles willen weten. Toch bereik ik regelmatig de grenzen van mijn vermogen om dingen te begrijpen. Alsof de grens van mijn begrip is bereikt. Ik zou ook graag vooruit willen kunnen kijken. Ik zou willen kunnen zien wat het effect is van een beslissing, van een gebeurtenis. Zodanig dat ik zou kunnen voorkomen dat datgene wat gaat gebeuren, zou gebeuren. Ik zou dingen écht willen kunnen terugnemen. Maar ik kan het niet. Ik moet me neerleggen bij mijn perfecte imperfectie. In de hoop dat ik dan toch eindelijk eens leer dat ik het niet moet willen. Maar zelfs dan nog wil ik begrijpen waarom dat beter voor me is.

dinsdag 12 augustus 2008

Het dorp

Ik ben erg in twijfel, aan de ene kant ben ik gek op de stad. De bedrijvigheid, de drukte en het tempo zitten me in het bloed. Maar aan de andere kant is er ook het dorp. Het platteland. Dat zo'n rust in zich heeft. Daar waar het leven net een tandje minder snel lijkt te gaan. Daar waar men elkaar nog bij de voornaam kent, elkaar groet bij het voorbijgaan.
Als ik dan weer es op de fiets zit, dwars door de velden en bossen, slaat de twijfel ongenadig toe. Herinneringen borrelen naar boven in me. Ik zit ineens niet meer op de fiets, maar loop over een pad langs een veld. Een veld vol koren, omgeven door oude huizen met rieten daken. Witte was wappert in de wind. Stokrozen groeien tegen de muren van de huizen. Een hond rent voor me uit. Ze achtervolgt de bladeren en probeert ze te vangen. De zon staat hoog aan de hemel en brandt me vooruit. De wind blaast over het veld en speelt spelletjes met het gouden koren dat er flexibel meespeelt. De zon door het koren stralen in het gouden licht. Eenzelfde gouden gloed is op mijn gezicht. Ik koester me in de warmte. Af en toe blaas ik een vliegje van mijn neus. De hond rent terug en springt tegen me op. Ik kijk even om me heen en zie dat niemand naar me kijkt. Behalve de hond, ze kijkt me uitdagend aan. Dus zet ik het op een lopen, ik ren achter haar aan. Ze rent luid blaffend voor me uit. Draait af en toe een rondje om heen en neemt dan een sprint. Ik ren achter haar aan, door het hek een boomgaard binnen. De hond rent als een, tja als een wat eigenlijk, een jonge hond dwars door de bomenrijen. Ik kijk weer even om heen en pluk dan een van de appels en poets hem schoon op mijn broek. Dan neem ik een hap en laat me neerploffen op het gras. De zon verstopt zich achter de bomen met fruit. Ik geniet van de schaduw en het briesje dat over mijn gezicht waait. Totdat de hond weer terug is, ze springt bovenop me en praat blaffend tegen me. Het blaffen verdwijnt naar de achtergrond. Langzaam vervaagt het hele beeld, de korenvelden verdwijnen achter de horizon. De appelbomen zijn er niet meer. Niets van dat al.
Ik ontwaak uit mijn gedroom en fiets weer door. De zon is er, de wind blaast me in het gezicht, de hond. Die is er niet.
Maar met een glimlach op mijn gezicht fiets ik terug naar huis. Via een omweg want, die drukte, bedrijvigheid en dat tempo... Dat kan me even gestolen worden.

maandag 28 juli 2008

Wil je je een keer vervelen...

Stierlijk vervelen. Kent u dat fenomeen ? Laatst was ik het ongewilde slachtoffer daarvan. Ik probeerde me te vermaken. Om het vervelen nog wat aangenamer te maken, was ik gaan zitten op een bankje in de zon. Het zonnige Deventer was mijn plaats delict. Zonnig bleek een fragiel begrip, wolken die regen brachten, dreven af en aan. Net als ik lekker zat, plensde het dat het een lieve lust was. Met een krantje onder de arm en een kopje koffie in de andere hand baande ik me een weg tussen de druppels. Voor mijn werk moet ik mezelf soms voor langere tijd zien te vermaken op stations waarvan het bestaan me daarvoor nog volslagen onbekend was. Zo ook die zondagavond. Half verscholen tussen planten en nog net onder de overkapping zat ik op het station van Deventer. De krant was haast onleesbaar geworden door de elementen die het had moeten doorstaan. In de verte kwam een waterig zonnetje door de wolken door. Ik zuchtte eens diep en ging wat verzitten. Een trein reed langzaam het station binnen, ik keek op om te kijken wie er allemaal uitkwamen. Niet dat ik hen kende, maar ach, een mens moet wat. Richting de brug, helemaal aan het einde van het perron renden twee kinderen enthousiast heen-en-weer. Ik keek nog eens, op zoek naar de ouders of begeleiders. In geen velden of wegen te bekennen. Ik wilde verder lezen. Maar bedacht me. Twee kinderen, alleen op het station. Hier klopte iets niet, voelde ik aan mijn water. Ik twijfelde heel even. Toen besloot ik toch op te staan. In uniform kan je niet weglopen van je verantwoordelijkheid, bedacht ik me. Ik liep op de jongens toe. "Waar zijn papa en mama ?" vroeg ik hen, vriendelijk glimlachend, dat terwijl ik geen kindervriend ben. "Verderop" antwoordde woordvoerder van het tweetal. Ik keek in de richting waar hij naar wees. Een bende studenten stond zich stierlijk te vervelen, en zette hun daad kracht bij door bierblikjes rond te schoppen. Geen vader of moederachtige types, leek me zo. "Breng me me maar naar je vader en moeder" zei ik niets vermoedend. Ze keken elkaar aan, of ze zeggen wilden dat ik toch wel een beetje vreemd moest zijn hun ouders te willen ontmoeten. We liepen samen het perron af. "Zijn papa en mama eigenlijk wel op het station" vroeg ik, met een spoor van angst in mijn stem. "Nee hoor, die zijn thuis" sprak de woordvoerder weer. Ik fronste mijn wenkbrauwen, keek heen ernstig aan. "Niet op het station ?" herhaalde ik zijn woorden. "Nee, thuis" voor hen leek het de normaalste zaak van de wereld. In mijn hoofd speelde zich al de vreselijkste scenario's af, een vader die in een louche café zijn verdriet zat te verdrinken met goedkoop bier, een moeder die thuis op de bank naar een herhaling van GTST zat te kijken. Ik zette een stapje bij. Probeerde hun gehuppel bij te houden. Ik durfde het bijna niet te vragen, maar deed het toch: "Wonen papa en mama wel in Deventer ?" Een verbaasde blik was mijn deel, een gegrinnik volgde. "Natuurlijk !" Ik slaakte een zucht van verlichting, niet vermoedend welke marathon mij te wachten stond. Het vermoeden werd pas sterker eerst we het station verlieten en een woonwijk binnenliepen. De jongens liepen luid kletsend voor me uit. Ik verstond weinig van wat ze zeiden. "Is het nog ver ?" vroeg ik, terwijl ik om me heen keek en de omgeving in me opnam. Een verrassend grote concentratie van schotels had bezit genomen van de ooit über-hollandse wijk. Tegen de stoepen stonden auto's geparkeerd, die normaalgezien nooit meer de door keuring zouden zijn heen gekomen. "We zijn er bijna, het is bij de speeltuin" Ik glimlachte en bedacht me dat in de wereld van het kind er maar één speeltuin bestond. De speeltuin aller speeltuinen. Wat moest dat eenvoudige beeld van de wereld toch een rustgevend idee zijn. We doorkruisten de buitenwijken met een snelheid waar de paus zijn neus voor zou ophalen. Na een tocht van tien minuten, die uren leek te duren, kwamen we in de straat aan. Aan het einde stond inderdaad een schommel. De speeltuin, vermoedde ik. Bij een tuin waar planten noodgedwongen plaats hadden gemaakt voor een autowrak, stond een huis met de gordijnen ferm gesloten. De woordvoerder van het duo klepperde aan de brievenbus. Ik bleef er rustig staan wachten. De deur werd geopend door een leeftijdsgenoot, die me verbijsterd aankeek. "Bent u van de polisie, meneer" vroeg het meisje. De jongens stoven langs haar het huis binnen. "Nee hoor" antwoordde ik geruststellend. Achter haar klonken stemmen van mensen, die spraken in een taal die ik niet verstond. "Zijn je vader of moeder ook thuis ?" vroeg ik het meisje dat de angstige blik inmiddels omgeruild voor een verbaasde. Ze draaide zich resoluut om en schreeuwde iets vreemds wat mij in de oren klonk als een voordeelmenu van de kebabzaak op Utrecht Centraal. Een lange bebaarde man stapte langs haar heen naar buiten en keek me ernstig aan. We keken elkaar aan. Ik kuchte een keer en begon toen mijn waarschuwend verhaal. "Snelle treinen, gevaar, station" en meer van dat soort termen gooide ik in de strijd. Hij keek me eerst verbaasd aan, toen serieus en vervolgens verbaasd en toen boos. Heel even dacht ik dat ik ter plaatse zou worden neergeslagen. Maar nee, hij draaide zich om, riep de jongens bij zich en begon toen een heel verhaal tegen hen. Ik stond er een beetje ongemakkelijk bij. Niet begrijpend wat hij zei, glimlachte ik maar. De preek was afgelopen, dat maakte ik op uit de bange ogen van de jongens en hun trillende lippen. Vader draaide zich om naar mij en zei: "Dankjewel meneer, zal niet gebeuren meer" De grammaticale fout vergaf ik hem en groette hem vriendelijk terwijl ik op mijn horloge keek. Iets sneller dan ik wilde draaide ook ik me om. Op deze manier was er ook niets van het vervelen terechtgekomen, ik moest haast rennen om weer op tijd bij de trein te zijn...

donderdag 10 juli 2008

En ik droom nog steeds

Vroeger droomden we allemaal over mooie dingen. Dingen waarvan we hoopten dat ze ooit waarheid zouden worden. We droomden over onze ambities en verwachtingen. Dromen waarvan we hoopten er nooit uit te ontwaken. Als ik mijn ogen sloot, ging ik op reis. Op reis langs mijn diepste wensen en verlangens. Ik reisde de hele wereld over, ontdekte exotische plaatsen waarvan het bestaan slechts werd gevormd door het beeld dat ik vormde in mijn hoofd. In mijn dromen was ik echt gelukkig. Samen met de mensen waarvan ik hield leefde ik een leven waarvan ik alleen kon dromen. Dat bleek.
Zodra ik wakker werd, sloeg de realiteit hard en genadeloos toe. Op de kleine schermen schoot voorbij, de ellende en armoede in de wereld. Een machteloosheid had me in zijn greep. Diep van binnen wilde ik het veranderen. 'Wees de verandering die je zien wilt' zei iemand me ooit. En ik probeer het, ik engageer me ervoor, maar ik schiet hopeloos tekort. Telkens weer verlies ik me in egoïsme dat ieder ten deel valt. Ik wil het wel, maar kan het niet. Ik vraag me af wat we moeten doen om echt een verandering te bewerkstelligen. Als we ons allemaal zouden inzetten, zou het dan lukken. Zou het ? In mijn jonge leven heb ik al met veel mensen gesproken. Iedereen heeft zijn visie, verrassende inzichten en meer. Inmiddels ben ik erachter dat achter iedereen gezicht een verhaal schuilgaat. Verbaasd hoor ik verhalen aan, verhalen over levens die anders liepen dan gepland. Terwijl ik vroeger altijd dacht dat als je groot was, alles gewoon goed zou gaan. De mensen die voor me liepen op het trotoir leken een toonbeeld van volmaakt geluk. Zij hadden een baan, een huis en een man of vrouw om van te houden. Nu hoor ik verhalen van stukgelopen liefdes, hernieuwde liefdes of liefdes die niet mochten of konden. Het grote verdriet dat iedere avond van het beeldscherm spat, staat in geen verhouding tot het kleine verdriet dat ik iedere dag hoor.
En soms droom ik nog. Laat ik me meevoeren naar een wereld ver van hier, een wereld zonder ellende en armoede. Een wereld van volmaakt geluk. Hoe ver is die wereld van hier. Zullen we er ooit komen ?

zaterdag 28 juni 2008

Kalverliefde - De Verjaardag / Deel III

Voor een jongen uit Utrecht is Den Helder best ver. De andere kant van de wereld, zo voelde dat. Vooral wanneer je nog maar twaalf jaar oud bent. Maar ik had het er best voor over. Vroeg in de morgen stapte ik dus in de trein. Mijn rugzakje stevig tegen me aangedrukt. In mijn rugzak had ik drinken gestoken, snoepjes en koekjes om de wereldreis levend te overbruggen. Ik had ook Donald Duck meegenomen. Met al mijn kracht had ik een, in mijn ogen, dikke stapel gestopt in de tas, achter mijn snoep en drinken. Mijn vader drukte me op het hart in de goede trein te gaan zitten. In Den Helder zou ik van de trein worden gehaald door Nathalie's moeder.
De overstappen gingen goed en rond elf uur kwam ik in Den Helder aan. Ik zag haar moeder al op het perron staan. Naast haar stond Nathalie me toe te glimlachen. Ik glimlachte terug en versnelde mijn pas iets. 'Hey, ben je daar eindelijk' zei ze. En ik straalde van oor tot oor. Ik voelde me best trots, zo helemaal alleen met de trein helemaal naar het noorden. We stapten in de auto en ik ging achterin naast Nathalie zitten, ze schoof tegen me aan en pakte mijn hand vast. Ik had niets te zeggen, ik voelde me een beetje suf. Ze kneep me in mijn hand en vroeg me hoe de reis was geweest. 'Het was leuk, maar wel lang' 'Oh, dat is minder' We staarden synchroon naar voren. Haar moeder keek af en toe goedkeurend naar de achterbank en wisselde blikken van verstandhouding met Nathalie die deed of haar neus bloedde. Ik wist ook niet wat ik zeggen moest. We hadden elkaar al twee weken niet gezien en ik had de nacht voor het bezoek geen oog dichtgedaan. Ik had wel honderd keer op mijn wekker gekeken. Was zelfs een paar keer uit bed gesprongen om te controleren of de wekker wel op het juiste uur stond. Telkens stond hij nog goed. Ik had liggen draaien, was veel te vaak naar de wc gegaan. Had mijn spullen nog eens goed gelegd. Ik had een cadeautje gekocht, of nou ja, cadeautje... Een cadeaubon van een groot warenhuis. Ze wilde spullen voor het middelbaar, had ze gezegd. Ik wist niet waar ze van hield. Dus liet ik de keuze maar aan haar.
Een week daarvoor wist ik nog niet eens dat ze jarig was op de die dag. Maar ze had me er subtiel aan herinnerd. Een paar dagen van te voren kreeg ik een kaart. Hij zat in een roze envelop die ik verbaasd had geopend. In haar handschrift stond daar mijn naam. Met 'lieve' ervoor. Zelfs toen ik hem las, voelde ik me weer rood worden. Mijn ouders hadden gevraagd van wie hij was. Ik wilde het eerst niet zeggen, dus zei ik maar: 'Van iemand die jullie toch niet kennen'. Maar ze hadden doorgevraagd. Mijn vader was eerst niet zo enthousiast over een reis van mij naar Den Helder, maar mijn moeder praatte hem om. Ik was zo blij als ik maar zijn kon.
'We zijn er, kijk maar, daar woon ik' Met een schok werd ik wakker uit mijn dagdroom en keek rechts van me. Daar stond haar huis. Een huis zoals zo velen. Maar ik zag er fietsen voor de deur staan. Veel fietsen. Allerlei felgekleurde fietstassen en stickers zaten op die fietsen. Ik stapte uit de auto en stond wat onwennig op mijn benen te draaien. 'Kom mee' zei ze, en weer pakte ze mijn hand. 'Jullie hebben een mooie tuin' zei ik, wijzend naar hun sfeervol met straatstenen afgewerkt hofje voor het huis. Ze keek me verbaasd en aan en begon toen te lachen. Ik liep, of liever, werd meegesleept door Nathalie naar de deur. 'Al mijn vrienden zijn er al, ik wil ze graag aan je voorstellen'. Met het uitspreken van dat zinnetje bracht ze opnieuw een rode kleur op mijn wangen. Ik voelde me al langzaam onzeker worden. Hopeloos was ik, met nieuwe mensen. Nooit wist ik wat te zeggen, ik keek altijd maar een beetje naar mijn schoenen. Hopende dat de nieuwe mensen dan zouden weggaan of, beter nog, op zouden lossen. Deze keer zou ik er niet zo gemakkelijk van af komen. Waarschijnlijk zou ik handen moeten schudden, mensen moeten kussen wiens bestaan daarvoor mij nog volslagen onbekend was. Maar, ik vermande mezelf en stapte zelfverzekerd de kamer binnen. Nathalie ging voor me uit. Enthousiast kussend en handenschuddend baande ze de weg voor. Ze was precies zoals ze was toen ik haar voor het eerst ontmoette. Ik probeerde haar voorbeeld te volgen, maar op een bepaalde manier zag het er bij mij een beetje onbeholpen uit. Het werd ook stil in de kamer. Alle ogen waren op mij gericht. Ik wilde weer naar mijn schoenen te kijken. Maar, dat lukte niet. In plaats daarvan concentreerde ik me op een, vreemd genoeg, kerstbal die tegen het raam hing. Een kerstbal ? vroeg ik me af, het is toch juli ? Het deed niets af aan de blikken die me aanstaarden. Ik verzamelde al mijn moed en zei toen, iets luider dan ik wilde: 'Hallo en gefeliciteerd allemaal' Het bleef ook stil. Voor een moment zei niemand iets. Ze bleven me aankijken. Toen klonk uit de hoek van de kamer een lach. 'Haha, die is niet van hier' De anderen grinnikten en knikten instemmend. De stilte was voorbij, iedereen begon weer te praten met elkaar. Ik haalde opgelucht adem en nam een slok van de cola die me ondertussen in de hand gedrukt was. Gelukkig, dat was alvast achter de rug. Ik ging met een gerust hart zitten, Nathalie naast mij. Ze kneep me in de hand en kuste me op mijn wang en zei: 'Ik ben blij dat je er bent'. En dat was ik ook. Blij dat ik daar was.

zondag 22 juni 2008

Kalverliefde - De Openbaring / Deel II

Dus bleven we maar rondlopen. Zij had genoeg te vertellen. Ik wist haast niets te zeggen, en staarde dus maar iets voor me uit. Graag wilde ik weten wie ze toch zo leuk vond. Wie was dat toch ? Kende ik hem ? Waarschijnlijk niet, het was dan ook iemand uit haar klas, of hockeyclub, zwemvereniging of knutselclubje. Ik had geen flauw idee. Allerlei scenario's spookten door mijn hoofd.
"... toch ?" klonk er ineens naast me. Ik was diep in gedachten verzonken en had dus geen flauw vermoeden wat er gezegd was. Op goed geluk knikte ik. Resoluut stak ze de straat over. Verbaasd liep ik achter haar aan. Een auto kon me nog op het nippertje ontwijken. Niet dat dat me opviel want ik staarde dromerig naar haar krullen die dansten in de wind. Ze dook tussen wat struikjes door een grasveldje op. Een klap van een tak in mijn gezicht bracht me terug in de werkelijkheid. Waar waren we, vroeg ik me af. Ik kende het hier helemaal niet. We liepen over het veldje naar een zandbak. Daar gingen we op het randje zitten. Nathalie keek me strak aan. Ik keek terug, maar moest al snel mijn ogen neerslaan. "Dus, je bent niet verliefd" zei ze, zonder haar blik af te wenden. Twee helderblauwe ogen schenen dwars door me heen te kijken. "Neuh..." mompelde ik nog maar een keer. Mijn ogen verriedden dat ik niet de waarheid sprak. " Ik geloof je niet" zei ze. "Toch is het zo" antwoordde ik zo zelfverzekerd mogelijk. Ik probeerde overtuigend te klinken, maar het lukte met niet zo goed als anders. Ik stelde ons al voor, samen wandelend door Houten, waar ik toen woonde. Ik zou dan samen met haar een zak snoep gaan kopen, die samen opeten terwijl we naar muziek uit mijn cassetterecorder luisterden. Ze zou dan bij mij komen logeren, we zouden kletsen totdat mijn vader boos naar boven zou komen lopen en zeggen dat we op moesten houden.
"Als jij het zegt, zeg ik het ook" ze wist van geen ophouden. "Okay" ik kon mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Of hard wegrennen. Maar ze zou achter me aankomen. Ik kende haar nog lang niet goed, maar ze was een doorzetter. Dat had ik al door. "Als jij het nou op de grond schrijft, veeg ik het weg en zet ik de naam van de jongen die ik leuk vind er neer" Wat een idee ! Ik vond het een goed idee. Ik zou dan, als de spanning te groot werd, weg kunnen rennen. Alsnog. En ik hoopte dat ze me niet zou achtervolgen die keer. Ze stond op, keek me een keer nadrukkelijk aan en stak haar tong uit. "Ik wacht wel" zei ze terwijl ze een eindje wegliep. Ik voelde me hart in mijn keel bonzen. Nu moest ik het gaan schrijven. Maar, hoe schrijf je haar naam eigenlijk, bedacht ik me. Dat wist ik niet eens. Ik stond ook langzaam op, keek om heen, op zoek naar een tak of stok waarmee ik in het zand zou kunnen schrijven. Toen ik er een had, ging ik op mijn knieen in het zand zitten. Was dit nou wel slim ? Maar ach, wat had ik te verliezen. Met trillende hand schreef ik haar naam in het zand. Eronder schreef ik nog maar: ik weet niet of ik het goed geschreven heb. Toen draaide ik me om en liep naar haar toe. Met een knalrooie kop gaf ik de stok aan haar. Zonder iets te zeggen, liep ze langs me heen. Naar het zand. Ze knielde om te zien wat er stond. Mijn hart bonsde zo mogelijk nog harder dan eerst. Wat zou ze denken, vroeg ik me in stilte af. Ze veegde het uit, zag ik vanuit de verte. Ik zag haar met de stok in het zand tekenen. Wat zou ze schrijven... Langzaam kwam ze teruglopen, met een rood hoofd en een grote glimlach op haar gezicht. De stok brak ze demonstratief in tweeen. "Kijk maar" Dus, ditmaal liep ik langs haar heen. Met knikkende knieen over het grasveld. Het leek wel een marathon die ik moest lopen voor ik er was. Aangekomen bij het zandbakje, durfde ik haast niet naar beneden te kijken. Bovenaan stond: je hebt het goed geschreven. En daaronder. Ik wreef in mijn ogen, keek nog een keer er daar stonden de vier letters. Ook goed geschreven. Ik keek nog eens, om me ervan te vergewissen dat het er echt stond. Toen draaide ik me om en liep ook terug. De roodheid was weg, ik liep wat zelfverzekerder. "Kom" zei ik, "we gaan naar huis".

vrijdag 20 juni 2008

Kalverliefde - De Ontmoeting / Deel I

't Zal in 1996 geweest zijn, ik was 12 jaar oud en logeerde nog bij mijn oma. Op een zaterdag gingen wij, naar goed gebruik, op verjaardagsvisite bij een oudtante in Bussum. 's Ochtends stapten we in de trein naar Bussum. Ik had er totaal geen zin in, want ik zag me alweer uren voor me uit staren. De verjaardagen waren altijd een vreugdevol weerzien van de familie die van heinde en verre kwamen om het goede mens te feliciteren. Ik kende weinig mensen op dat soort gelegenheden, ik verveelde me stierlijk.

Vanaf het station liepen we in ferme tred naar het huis van mijn oudtante. Daar aangekomen feliciteerden we het gezelschap door iedereen driemaal op de wang te kussen. Iedereen zat al netjes in een kringetje rondom de eikenhoutentafel. Een geroezemoes steeg op uit de kring. Men had het over ziektes, huwelijken, overlijdens en meer van dat soort verjaarspraat. Mijn oma zette zich strategisch, iets uit het midden van de cirkel, om geen moment van het feest te missen. Ik ging naast haar zitten en at schuldbewust mijn cakeje op, met ranja en een rietje. Ik bedacht me wat ik doen zou. Gelukkig begon een van mijn ooms enthousiast af te wassen. Ik sprong op om hem te helpen. Terwijl ik druk balancerend de meest lelijke kopjes stond af te drogen, ging achter mij een deur open. Van schrik keilde ik zowat het lelijkste kopje naar de eeuwige jachtvelden. Ik draaide me om, om te zien wie de aanstichter was van mijn schrik.

“Lukt het een beetje?” Te verbijsterd om te reageren, staarde ik haar schaapachtig aan. Tot die dag geloofde ik in mijn jonge leven nog niet in liefde op het eerste gezicht. Maar zij veranderde dat. Ik voelde mijn gezicht van kleur veranderen, ik sloeg mijn ogen neer. In mijn buik begon een kudde vlinders zich te verroeren. Ik wist niet waar ik naar moest kijken. Het maakte haar niet uit, ze liep langs me heen naar buiten. Op weg naar het inmiddels verplaatste feestje.

“Hé Nathalie”, hoorde ik mijn neef schreeuwen. De goede man zag altijd aanleiding om te schreeuwen. Hoe druk het ook was, hoe stil het ook was, de man schreeuwde. De hele massa keek op, Nathalie groette iedereen netjes terug en ging al zoenend de kring rond.

Waarom kende ik dit meisje niet, wie was zij ? Ik leunde om mijn oom heen, en tuurde door het grijs-groen gekleurde horgordijn naar buiten. Midden in het gezicht van Nathalie, breed grijnzend keek ze terug. Weer voelde ik mijn hoofd rood worden. Snel draaide ik mijn hoofd terug. Mijn oom stond een heel verhandeling over de oorlog in Bosnië te houden. Ik snapte er geen snars van, maar het interesseerde me ook niet. Ik had alleen oog voor het mysterieuze meisje dat daarbuiten de show stal. In mijn hoofd ging van alles met een noodvaart van links naar rechts. Hoe kreeg ik haar onverdeelde aandacht ?

Na de afwas ging ik weer naast mijn oma zitten. Die zat nog steeds goed gesitueerd tot het feestgedruis, dat gezien haar gehoorkwaliteit inmiddels verworden was tot en monotoon gezoem ergens in de verte. Toch slaagde ze er telkens weer in geïnteresseerd te luisteren naar iets dat voor haar moet klinken als een Boeing op 10 kilometer hoogte. Terwijl ik daar zat, nam ik een besluit. Ik had toch niets te verliezen, maar een meisje is voor een twaalfjarig jongetje ook al heel belangrijk. Ik zou haar dus moeten spreken, wat zei ik, ik móest haar spreken. Hoe dan ook. Ik besloot om onbereikbaar te spelen. Daar had ik ooit iets over gehoord, ik besloot dat dat de beste methode zou zijn. Dus zuchtte ik diep en stond op. “Zo” zei ik zo zelfverzekerd mogelijk, “ik ga even een eindje lopen”.

Achter het huis stonden een tweetal betonnen containers. Daarbovenop zitten, leek mij de beste manier om haar aandacht te krijgen. Ik zou dan een aantal keer kuchen en zuchten. Misschien zou ik zelfs fluiten, dan zou ze vast komen.

En ja hoor, na een kwartiertje, dat een uur leek te duren, ging de poortdeur open. “Hoi” zei ze en ze sprong naast me op de container. “Hoe heet jij dan?” Ik was even uit het veld geslagen, maar wist toch nog te antwoorden. “Oh, en ik heet Nathalie, maar dat wist je vast al”. Ik zal er stom bij hebben gezeten, staarde haar dom aan. “Kan je het zien?” vroeg ze, “Ken jij de buurt hier een beetje, ik heb wel zin om de boel te verkennen”. Ik mompelde iets bevestigends en sprong de container af, “Kom mee” zei ik terwijl ik al begon te lopen. En daar liepen we dan, naast elkaar door Bussum. Ik zei niet veel, zij des te meer. Ik had het idee dat ik bijna licht gaf in het donker, zo rood was ik. Ik zocht naar woorden om te zeggen, maar het enige wat ik scheen te kunnen doen, was vreemde klanken uitstoten. Ik was het eens met alles wat ze zei. Was ik mijn tong verloren, wat was er toch aan de hand ? Maar Nathalie liet zich door niemand tegenhouden en rende haast door het dorp. Ik strompelde er wat onbeholpen achteraan.

En toen, zomaar opeens, vroeg ze: “Heb jij eigenlijk een vriendinnetje?” Ik was weer uit het veld geslagen, zoveel directheid was ik niet gewend. “Neuh...” antwoordde ik. “En jij dan?” Tot mijn grote vreugde antwoordde ze ontkennend. Inmiddels waren we bij het speeltuintje aangekomen, ik ging zitten op een van de schommels en begon nonchalant te schommelen. Nathalie ging naast me zitten en praatte honderduit over van alles en nog wat. Ik probeerde te voorkomen dat ik telkens naast me keek en schudde in plaats daarvan telkens heftig mijn hoofd. Ik probeerde aandachtig te luisteren, maar dat idee leek bij voorbaat al verloren. “Ben je verliefd?” vroeg ze me. Mijn hoofd werd nog net iets roder dan het al was. “Tja” stamelde ik, “misschien”. “Ik wel”, zei ze, “nog niet zo lang” Ik wist niet waar ik moest kijken. Maar een nieuwe missie doemde op aan de horizon. Ik moest en zou weten wie haar hart sneller deed kloppen. Stiekem hoopte ik dat ik die persoon was, maar ik besloot dat ik mezelf niet gek zou laten maken. Dus overwon ik mijn schroom en vroeg haar wie ze dan zo leuk vond. “Ja, dat zou jij wel willen weten hè” zei ze, om het spannend te houden. Mijn missie was weer iets moeilijker geworden, want nu wilde ik hoe dan ook weten wie het was. Ik zou hem gaan stalken, ik zou hem vertellen dat hij geen kans maakte. Ik had het al helemaal uitgedacht hoe ik het zou aanpakken. Maar er zou weinig van terecht komen.

vrijdag 6 juni 2008

Och, de trein is zo fijn !

Zo'n reis met hindernissen, daar wordt een mens niet echt gelukkig van. Afgelopen zaterdag was ik weer deelgenoot, ongewild maar toch, van een reis met hindernissen. Het begon al toen we nog Rotterdam stonden. Een trein kwam langs het perron. De mensen zaten opgestapeld tegen elkaar gedrukt in de trein. De condens stond tegen de ramen en droop in druppels op de vloer. We keken elkaar aan, in ontreddering haast. Moesten we hiermee mee reizen ? Zoveel mensen maar zo weinig trein... Ik kreeg ineens een ingeving, lumineus, zo vond ik zelf. Wat als we nou gewoon een stukje per trein richting de grens zouden reizen en dan daar weer overstappen ? De reis zou dan toch op z'n minst rustiger moeten zijn. Opgelucht haalden we adem en stapten uit het feestgedruis. Als vliegen op de stront, sprinte de rest van de reizigers naar de open deur. Nog voordat de andere reizigers goed en wel uit konden stappen, stonden zij al binnen. We schudden synchroon onze hoofden en gingen op een bankje zitten. We prezen onszelf al gelukkig, dat we toch zo'n verstandige beslissing hadden genomen. De trein zette zich in beweging. Ons achterlatend in het zonnetje. Ja, dit was een slimme zet. 
Nadat we wat op adem waren gekomen, stonden we op en liepen naar de trein die we dan wel zouden nemen. Plaats genoeg, zagen we toen we instapten. We ploften neer in de banken, het fluitsignaal klonk en daar gingen we. Bij het volgende station stapten we uit. We wachtten op de volgende trein. Beiden keken we hoopvol in de richting van waaruit de trein zou moeten komen. We keken. En keken. En daar kwam dan een trein. Hard denderde hij voorbij. We haalden wat te drinken en terwijl we afrekenden klonk daar door de boxen een bericht dat ons de hoop in de schoenen deed zinken. De trein die we wilden hebben, reed niet. Allerlei krachttermen vlogen door de lucht. Mensen keken verschrikt om, verstopten zich achter bankjes, vuilnisbakken en andere strategisch geplaatste obstakels. Wat nu, zeiden we tegen elkaar. We besloten de volgende Intercity te nemen. Want, zo dachten we, die rijdt vast wel weer gewoon. IJdele hoop, zo zou later blijken. Hoegenaamd op tijd reed de trein het station binnen. Nog steeds vrij druk, maar we zouden kunnen zitten. Alhoewel we het ook niet erg hadden gevonden om een uurtje te moeten staan. Wisten wij veel... Maar, zover ging het goed. De trein begon te rijden, en maakte vaart. We reden een enorme brug over, denderden door een station en draaiden naar rechts. Toen gebeurde er iets geks. De trein minderde vaart, remde zelfs. We keken elkaar opnieuw verschrikt aan. Maar wel hoor. We reden langzaam, langzamer... En stonden stil. Naast ons was gelukkig een perron. Gelukkig regende het niet en konden we buiten wachten. Na ongeveer een half uur stapten we terug de trein in, die begon zo waar te rijden. 
Eindelijk kwamen we aan, stapten we weer uit. Liepen het station uit, de stad in. Op een terrasje aangekomen, achter een drankje, keken we elkaar nog eens aan en zeiden: "De volgende keer gaan we met de motor !"

zaterdag 31 mei 2008

EHBO, mijn lust en mijn leven ?

Of ik een held ben op het gebied van EHBO, vroeg iemand me laatst. Ik zal de laatste zijn om te zeggen dat ik zo'n held ben. Zodra iemand, door wat voor reden dan ook, bebloed op mijn afstapt, ren ik wit weggetrokken weg. Ik ben er niet echt heel dol op. Iedere dag probeer ik me dan ook verre te houden van alles wat met bloed te maken heeft.
Mijn werkgever had daar duidelijk een andere kijk op. Een aantal weken terug kreeg ik een brief in de bus. Of ik binnenkort een cursus EHBO wilde volgen. Ik voelde het bloed al langzaam uit mijn hoofd wegtrekken. Beelden van bebloedde, verbrandde en anderszins verminkte mensen trokken aan mijn netvlies voorbij. Maar, een keuze had ik niet. Ik moest hoe dan ook. Dus, daar ging ik. Met frisse tegenzin toog ik naar Amersfoort om aldaar de fijne kneepjes van het vak te leren. Het leek me verstandig van tevoren genoeg koffie te drinken. Vandaar dat mijn ogen niet onderdeden voor de gemiddelde coke-snuiver. Haast onnatuurlijk opgewekt stapte ik het lokaal binnen. Een vriendelijke dame zei me gedag en vroeg mijn naam en alle gegevens. Na zowat mijn complete c.v. te hebben ingediend nam ik plaats. Naast me zat een collega een beetje glazig voor zich uit te staren. Ze knikte me na een tijdje bemoedigend toe. 'Dit heb ik allemaal al gedaan' vertrouwde ze me toe. Ik knikte terug, met mijn hoofd, en ach, mijn knieën deden ook een maatje mee.
'Mijn naam is Gerrie en dit is de lotus' Ik keek langs de cursusleidster midden in het gezicht van een, in mijn ogen, gemeen lachend vrouwtje. Achter haar op tafel stond een koffer volgepropt met allerlei attributen die nog het meest op de vleesafdeling van Dirk Van Den Broek na een storm leek. De ochtend zouden we vullen met theorie en dan, na de lunch, gingen we reanimeren. Met elkaar. Verschrikt keek ik om me heen. Moest ik dan de lotus terug te leven gaan wekken ? Maar na de lunch gooide de cursusleidster gelukkig een grote koffer op de grond, die het levenloze lichaam van Annie scheen te bevatten. We sloegen enthousiast aan het beademen en drukke de borst van Annie ferm op en neer. Een vervaarlijk krakje klonk, toen het mijn beurt was. Maar, al met al voelde ik mijn zelfvertrouwen toenemen. Gelukkig, verzuchte ik, als het zo allemaal door blijft gaan, heb ik me voor niets zo druk gemaakt. Nog bijkomend van mijn reanimatie-poging ging ik zitten naast mijn collega. Maar toen gebeurde het... Geheel onverwacht zwaaide de deur op. In de opening stond de lotus. De arm geheel onder het bloed. Een mes nog in de hand. Verbijsterd keek ik haar aan. Het bloed verdween, zo leek het, volledig uit mijn hoofd. 'Ik heb me vreselijk gesneden' zei ze, terwijl ze tegen de cursusleidster op sprong als een jonge loopse poedel. Ik probeerde mijn aandacht af te leiden door links van me te kijken. Maar daar zat net diezelfde collega diep verzonken in een cursusboekje van de brandwondenstichting. Ik wist niet waar ik moest kijken. Ik wilde help zeggen, maar kon het niet. Alleen een vreemde piepje ontsnapte aan mijn keel. Ik nam een slok koffie, niet realiserend dat ik daarmee mijn slokdarm verhitte tot 180 graden. Half rochelend en gorgelend verdiepte ik me in de gratis krant die ik als een zeewering voor mijn gezicht hield. Achter de krant vandaan kwamen de vreselijkste kreten. Ik concentreerde me op een artikel over incontinentie bij zeehonden. Niet wetend dat ik dat interessant vond. Toen ik het artikel uit had, was het bloeden gestopt. De vrouw keek tevreden voor zich uit, met de arm in een mitella. Ik voelde het bloed weer terugstromen daar waar het hoort.
Aan het einde van de dag zat ik in de trein. Ik bedacht me: nee, ik ben geen held. Ik ben gewoon een gevoelig jongentje dat niet tegen bloed kan. En ik denk dat ik dat maar zo hou...

zondag 11 mei 2008

De protestante boer en de katholieke priester

Een Staphorster boer gaat regelmatig gokken op paarden. Als hij op een dag bij de renbaan komt, ziet hij een priester bij een van de paarden staan. De priester is diep in gebed verzonken, en zegent het paard. De boer schudt zijn hoofd, maar zet desalniettemin een beetje zijn geld in op het paard. Tot zijn verbazing wint het paard. Euforisch loopt de boer naar huis. De volgende week gaat hij weer naar de renbaan. Weer staat de priester bij een paard te bidden. De boer waagt weer de gok... Het paard wint overtuigend. De boer is buiten zinnen van vreugde als hij het geld int.
De daaropvolgende week zoekt de boer weer naar de priester, deze staat bij een paard te bidden. Hij heeft een emmer water in de hand, waarmee hij het paard besprenkelt. De boer wrijft in zijn handen en zet al zijn geld in op het paard. In spanning gaat hij zitten kijken naar de wedstrijd. De signaal gaat, alle paarden beginnen te rennen. Ook het besprenkelde paard begint te rennen, maar valt dan op 10 meter voor de finish dood neer. De boer kijkt verbijsterd toe. Als de wedstrijd gedaan is, loopt hij geïrriteerd naar de priester.
"Wat is dat nou ? Je had hem toch gezegend ?"
De priester kijkt hem verbaasd aan, schudt dan zijn hoofd en zegt:
"Dat is nou dat probleem met jullie protestanten... Jullie weten het verschil niet tussen een gebed en de laatste sacramenten..."

vrijdag 2 mei 2008

Ken je dat gevoel ?

Soms is het moeilijk om in woorden te vatten wat je voelt. Vandaag is zo'n moment. En ik ga niet eens proberen te zeggen wat ik voel, want dat kan ik niet. Maar ik wilde het toch even kwijt... Vreemd als ik ben...

maandag 28 april 2008

Een perfecte wereld ?

Ik lag te slapen, tussen dromen en waken in. Op de achtergrond hoorde ik vaag de vogels fluiten. Ik was me ervan bewust dat ik sliep. En ik droomde. Ik droomde van een wereld zonder oorlog. Van een Journaal dat alleen goed nieuws bevatte. Geen oorlog, geen honger, geen ellende. Geen kinderen met tranen in hun ogen. Een wereld waarin mensen elkaar respecteerden. Een wereld waarin mensen elkaar vriendelijke toeglimlachten, elkaar de hand schudden, elkaar omhelsden. Zich niet afvroegen wat alles hen ging kosten, financieel of sociaal. Een wereld waarin mensen elkaar te hulp schoten en niet afschoten. Een wereld geregeerd door mededogen in plaats van geld. Een wereld van gelijkheid in plaats van ongelijkheid. Een wereld waar mensen elkaar begrepen zonder een woord te wisselen. Een wereld waarin uitleg voldoende was.
En toen werd ik wakker, ik wreef de slaap uit mijn ogen. Keek om me heen. De vogels floten nog steeds, de wind waaide om het huis. Even geloofde ik het. Even hoopte ik dat het waar was. In plaats daarvan hoorde ik het nieuws. Een vrouw opgesloten in een kelder, misbruikt door de man die haar zou moeten beschermen. Oorlog in elke denkbare uithoek van de planeet. Ik wil me weer omdraaien, terug naar die andere wereld. Maar, die was er niet meer. Die andere wereld is nog zo ver weg...

zaterdag 26 april 2008

Eigenlijk moest die avond nooit voorbij gaan...

C'est une belle histoire...
De trein komt langzaam tot stilstand. Om me heen zijn mensen in feeststemming, ze dragen vreemde oranje-gekleurde kleding en juichen om het minste of geringste. Ik doe mijn shirt nog eens goed, veeg het stof van mijn jas. Strijk met mijn handen over mijn broek en sta op. Enigzins onzeker stap ik de trein uit. Jij staat er nog niet. Je weet ook niet dat ik daar zou aankomen. Je weet wel dat ik komen zal, maar wist niet waar. Je staat beneden, je glimlach stralend en mooi als altijd. Dat realiseer ik me nog niet. Je schudt me de hand. Ik voel me onzeker, maar loop met je mee het station uit. Beiden moeten we nog geld halen bij de bank. Onderwel we lopen, verbaas ik me over de situatie. Ik kan me niet herinneren ooit zoiets te hebben meegemaakt. Jij kent de weg hier wel. Zelfverzekerd loop je door de stad. Je vertelt ronduit over de stad die duidelijk een warme plaats in je hart heeft. Ik luister naar je woorden, de klank in je stem en bedenk me dat ik het steeds leuker begin te vinden... met jou. We stappen een restaurant binnen, we gaan zitten en bestellen een drankje. Jij bent nog steeds niet uitgepraat. Je stelt me vragen, ik probeer ze te beantwoorden. Ik kijk naar je, en luister nog steeds naar je. Als je opstaat, en even weggaat, denk ik na. Gebeurt dit echt ? Ik besluit het mezelf niet te laten inbeelden en neem een slok van de wijn. Misschien is het de wijn wel, bedenk ik me in stilte. Je komt terug en gaat zitten. Er vallen geen stiltes. Je zegt dat dit ook de eerste keer is voor je, dat het zo gaat.
We pakken onze jassen en staan op. Ik loop volgzaam achter je aan, je kent de weg hier. De weg die ik, zo realiseer ik me later, een beetje kwijt begin te raken. Een einde verderop gaan we zitten en bestellen nog een drankje. Jij drinkt water, want je moet nog rijden. En dan, later op de avond, gaan we terug naar het station. Daar komen we erachter dat ik de laatste trein gemist heb. Dat is me nog nooit gebeurd. Maar het maakt jou niets uit, je brengt me weg. En als ik dan de deur achter me dichtdoe, rij je weg. Ik ga even zitten op de rand van het bed. Zucht diep en vraag me af wat er met me aan de hand is. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Als ik er niet uit kom, sla ik het dekbed over me heen en draai me om. Niet veel vaker val ik zo snel in slaap. Niet eerder met zo'n glimlach op mijn gezicht.

maandag 21 april 2008

Kijk eens om je heen, en lees

De slaap is als een brug
die van vandaag naar morgen gaat
en onderdoor
een droom
stroomt het water

schrijver: onbekend

zondag 20 april 2008

Mannen zijn wafels en vrouwen spaghetti

Mannen en vrouwen zijn wonderlijke wezens. Ieder op zijn eigen manier. Een vergelijking die ik laatst hoorde, vond ik wel grappig. 'Mannen zijn wafels' zo stelde de spreker, 'ze zijn net als wafels op te delen in vakjes, en zo denken ze ook' Een man zou zijn leven dus opdelen in vakjes, en die vakjes ook chronologisch afwerken. Dus, als zich in één vakje een probleem zou bevinden, gaat de man dat probleem te lijf, en alleen dat probleem. Is het opgelost ? Volgend vakje. En zo maar verder tot de wafel schoon is.
Vrouwen daarentegen, zijn spaghetti. Slierten van emoties en ideeën die in elkaar gewikkeld zijn, met saus erover. 'Een vrouw laat alles door elkaar heenlopen, iedereen wil ze met elkaar verbinden' En doordat ze alles door elkaar heen laat lopen, kan ze ook meerdere dingen tegelijk doen. Ze kan de was ophangen en tegelijkertijd TV kijken, ze kan staan koken en tegelijk bellen met haar vriendin. Wij mannen kunnen dat niet. Ik heb het onderlaatst eens geprobeerd, en ja hoor, het klopt. Terwijl ik allerheftigst zat te typen op MSN, had ik tegen mijn oor een telefoon. Twee gesprekken door elkaar... Aan het begin ging het nog. Maar na verloop van tijd typte ik op de computer datgene wat ik wilde zeggen tegen de persoon aan de telefoon. Je kan je de verwarring voorstellen. Maar, ik geef niet op. Ik wil ook multitasken. In mijn geval betekent dat, dat één van beide taken iets minder goed wordt uitgevoerd. Als ik aan de telefoon zit, kan ik heel goed tegelijkertijd afwassen. Dat gaat nog, want het heeft weinig tot niets met elkaar van doen. TV kijken en bellen ? Dát is weer een héél ander verhaal. Ik probeer het nog wel. Maar vaak ben ik halverwege een zin en weet ik niet meer wat ik zeggen moet... Of wist ik niet meer wat ik aan het zeggen was. Of dat ik überhaupt wel aan het praten was, was het nou de presentator die iets zei over de situatie in Uruzgan ? Of was jij dat nou... Om me eruit te redden stoot ik wat oerkreten in de trant van "Aha.." of "Ja... ja..." uit. Dat helpt het gesprek ook niet echt vooruit. Neerleggen die hap dan maar. Ik moet dan leren dat het óf TV kijken is, óf telefoneren. Maar niet tegelijk, want dát gaat dus niet ! Dan laat ik het teiltje maar weer vollopen en pak de afwasborstel, dat gaat beter samen... Ach, ik ben gewoon een wafel die in vakjes denkt, de die vakjes wil ik ook niet doorbreken. Een mens moet niet willen de dat de room niet meer netjes in de vakjes zit.

maandag 14 april 2008

Wanneer wordt het beter ?

Er loopt een vrouw door de hal. Haar haar zit in de war. Haar dat misschien ooit in de krul zat, of in een mooie staart. Daar is weinig van over. Nu zit het vol met klitten, vettig geplakt boven een gezicht dat geen emoties meer vertoont. Een gezicht dat alle emoties lijkt te zijn ontzegd. Haar leven heeft haar hard getrapt, geslagen en geschopt en is toen weggerend. Het nam alle vreugde mee...
Als ik er langs loop, kan ik bijna niet nalaten om achterom te kijken. Het is een situatie waar ik niets aan kan doen, niets aan kan veranderen. Ze sjokt elke dag haar rondje door de hal. Haar schoenen zijn afgetrapt, versleten tot op de laatste vezel. Haar kleding wekt slechts de suggestie van kleur. Iedere broek die ze draagt heeft dezelfde kleur, haar trui past er eigenlijk niet bij. De tinten van haar kleding komen misschien wel overeen met de gestelheid van haar ziel. Haar gezicht heeft alle expressie verloren.
Het stoort me en maakt me boos. Waarom leef ik in een land dat niet zorgt voor mensen die onderaan de maatschappelijke ladder zijn terechtgekomen ? Mensen lachen om vrouwen als de naamloze vrouw die door een stationshal wandelt. Sommige schelden er zelfs op, rennen hard door. Op weg naar hun huis, hun auto, hun maaltijd, hun duur betaalde baan. Het enige dat nog belangrijk is, is jezelf. We zijn alleen nog bezig met ons eigen gewin. Onze positie, ons loon, ons huis. We schudden ons hoofd, kopen ons schuldgevoel af door donaties aan zogenaamde goede doelen. Tot mijn schande doe ik mee. Ook ik loop hard door. Op weg naar mijn trein, naar mijn huis. Ook ik schud mijn hoofd, of draai het zelfs weg. Weg van de realiteit, wentel me in mijn ideale wereldbeeld. Ik wil het niet geloven. Dat mensen leven op een manier zoals zij doet, dat kán toch niet ? Toch ? Wanneer verandert het...

dinsdag 18 maart 2008

En het kan me ook niets schelen

Waarom worden we tegenwoordig geterroriseerd door elkaar ? De nummer één irritatie in de trein is, u raadt het al, bellen. Jawel, u kent het apparaat wel. Dat kleine geval met microfoon en luidspreker, zo'n apparaat dat we vroeger 'telefoon' noemden, maar dat nu onder de naam 'mobieltje' door het leven gaat.
We schreeuwen allemaal moord en brand als het om onze privacy gaat. Maar, zitten we te bellen, lijkt dat ineens niet meer van belang te zijn. We bellen elkaar om ieder scheet die dwars zit. En iedereen heeft dezelfde naam: Mij. Ja, we nemen zelfverzekerd de telefoon op en zeggen: 'met mij'. Wie anders ?, vraag ik me dan af. Vervolgens veinzen we verbazing als we zeggen: 'Oh Henk, ben jij het ?' We zeggen zelfs onze naam niet meer, dat is ook volkomen overbodig nu iedereen kan zien wie er belt. En als je dacht dat het daarmee gedaan was ? Denk nog maar een keer...
Denk je rustig in de trein te zitten, staar je rustig uit het raam, uit het raam waarlangs de wereld met een noodvaart aan je voorbij trekt... Begint ineens achter je een voltallig filharmonisch orkest te spelen. Vroeger had je daar toch nog een serieus orkest voor nodig. Je kent ze wel, blazers, slagwerkers en een dirigent die als een bezetene staat te zwaaien naar iemand die duidelijk niet van plan is terug te zwaaien. Maar nu niet meer. Het wonder van techniek heeft ook dat stukje nostalgie overbodig gemaakt. Er groeien kinderen op die straks met hun ouders naar de intocht van Sinterklaas staan te kijken. Ze zullen zich verbazen, hun ouders verbijsterd aankijken en zeggen: 'Maar papa, hoe kan dat nou, ze hebben helemaal geen mobieltje ?' Maar goed, ik dwaal af. In zo'n situatie, als in de trein, voltrekt zich vaak het volgende: je draait je verbaasd om, en kijkt midden in het gezicht van een wild in de tas graaiende tiener. Op zoek naar, jawel, het mobieltje. Na een zoektocht van enige seconden, die uren lijken te duren, heeft de gebelde zijn mobieltje getraceerd. De tiener neemt die enthousiast op. Het lukt me met moeite om niet omstandig te zuchten. En hoe ik het ook probeer, ieder woord vang ik op. Een druk gesprek ontspint zich achter me. De diepste zieleroerselen worden op tafel gesmeten, met gemak waar de gemiddelde Gouden Kooi-bewoner zich voor zou schamen. Niets is te zot. Gisteren ook weer, in de trein, in de zogenaamde rust, klinken de vertrouwde beltonen me in de oren. Ik kijk om. En ja hoor, daar zit ze. De notoire beller. Iemand die in zijn eentje complete telecommaatschappijen in leven houdt. Wiens oren inmiddels de vorm aan hebben genomen van een soort platgeslagen paddestoel. De telefoon hoeft ze amper nog vast te houden, die blijft als vanzelf hangen aan de rechter oorlel. Leningen heeft ze nog net niet hoeven afsluiten om de rekeningen te kunnen betalen. Haar rekeningen zijn hoegenaamd de omvang van het bruto nationaal product van een gemiddeld derde wereldland. Meneer Vodafone zie ik al in zijn handen wrijven. Het gesprek gaat over de Liefde. Of nou ja, Liefde die liefde had kunnen zijn. Want 'Merel' heeft 'Joost' gedumpt, gelukkig hoeft de luisteraar niet lang te treuren. Dr Phil-wannabe stelt ons gerust, 'hij was haar toch niet waard, dat weet je toch ?' Net als ik denk dat het gesprek op zijn einde loopt, is er nog een nieuwe agendapunt dat zeker niet vergeten mag worden. 'Wat gaan we doen dan... Ja, zaterdag... Je weet toch... Nee... Zoooo... Dat was echt wel vet... Nee, maar we gaan zeker niet daarheen gaan... (grammatica is ook veel te lastig om te respecteren als je het over de essentiële zaken van het leven hebt) Nee, echt niet hoor...' En zo gaat het nog een kwartiertje door. Ik krijg sterk de aandrang op te springen, de telefoon uit haar handen te rukken, ritueel te verbranden en een prop katoen in haar mond te stoppen. Toch is het wel vermoeiend om telkens maar één kant van het verhaal te horen. Je hoor voortdurend iemand 'ja' en 'nee' zeggen, niets meer en niets minder. Zou die ander dat dan ook doen ? Wat een saai gesprek moet dat zijn...
Zou het nou teveel gevraagd zijn om dat gesprek ergens anders te voeren ? Op de WC of thuis, of op de maan. Huur voor mij een part een hotelkamer. Maar bel niet hier ! Dwing me niet tot dingen te doen die ik eigenlijk niet wil doen. Bel ergens anders. Maar niet bij mij in de coupé. Stoor me er niet mee, vermoei me niet met die onzin. Ga gewoon eens bij elkaar langs, vlieg elkaar in de armen, trek een fles wijn open en heb een goed gesprek. Maar, niet met mij erbij. Alsjeblieft, spaar me die onzin. Alsjeblieft.

zaterdag 8 maart 2008

Misschien ben ik nog niet groot

Ik zie me nog staan, als klein jongentje. Kijkend naar de treinen die voorbij schieten, mensen die wachten op hun trein. Een kopje koffie in de hand. Ik verbaasde me erover, trok een vies gezicht en vroeg me af waarom mensen toch zoiets 'vies' konden drinken. Koffie... Wie drinkt zoiets ? En dan nog zoiets, op verjaardagen zit ik om me heen te kijken. De grote mensen praten over dingen als: een baan, de hiepooteek, belasting of de auto. Dat laatste vind ik nog wel leuk. Auto's vind ik boeiend. Ik spaar thuis kleine autootjes, vooral Mini's vind ik leuk. Maar die grote dingen zijn ook wel leuk, maar waarom zeurt iedereen nou altijd zo over files ? Fieles. Later snap ik dat die mensen niet voor de lol in de rij staan. Kunnen ze niet samen een spelletje gaan doen, bedenk ik me. Of de muziek heel hard zetten en dan meezingen. Dat is toch leuk. Je kan natuurlijk ook de Donald Duck gaan lezen. Of een grote zak snoep kopen en die dan stiekem gaan opeten, achterin de auto.
Ik zag er naar uit. Om alleen te wonen, mijn eigen eten te koken, mijn koelkastje te vullen. Ik zou zelfs een hond hebben willen hebben, om zelf te bepalen wanneer ik die ging uitlaten. En oh ja, ik wilde ook mijn eigen abonnement op de krant, dan zou ik alle strips uitknippen en bewaren. Dat gezeur over je 'hiepooteek', dat begrijp ik niet. Ik ga gewoon in een hut in de boom wonen. Of in de schuur achterin de tuin van mijn ouders. Dat is wel handig, dan kunnen papa en mama ook nog eens op bezoek komen. Servies voor de koffie leen ik wel van m'n zusje. Vijftien jaar later zit ik op de bank, kom ik ook tot de conclusie dat er niets op tv is. Is het abonnement vervangen door nu.nl of een van de vier gratis kranten die ons land rijk is.
En iedereen is getrouwd. Ja, sommige mensen 'wonen samen', maar wat dat is, begreep ik niet. Mijn papa en mama wonen toch ook samen ? Domme grote mensen, ze snappen het zelf niet eens. Ik ga later gewoon trouwen met mijn beste vriendinnetje en dan krijgen we kinderen. Want grote mensen krijgen allemaal kinderen als ze gaan trouwen. Het verbaasde me dan ook wanneer twee van die grote mensen, zodra ze eenmaal getrouwd waren, geen kinderen hadden. Misschien waren ze dan wel niet getrouwd en woonden ze gewoon samen. Want, als je samenwoont, krijg je geen kinderen. Toch ?
Vijftien jaar later snap ik sommige dingen nog niet. En denk ik vertwijfeld: ben ik nu groot ? Ben ik nu volwassen ? Ik voel me zo'n kind nog...

Telling 2

eXTReMe Tracker