woensdag 31 december 2008
zondag 28 december 2008
Oh, en de rust...
vrijdag 19 december 2008
Mijn nieuwe buurtgenoten
Nadat ik alles een beetje had ingericht, was ik er eindelijk aan toe gekomen om eens te kijken en luisteren wat er zoal om mij heen gebeurde. Zo'n flat is een mini-samenleving. Mensen van allerlei pluimage, rangen en standen wonen samen op -zeg- 250 vierkante meter. Een van mijn flatgenoten is een oudere dame, ik schat haar zo eind zeventig, begin tachtig. Ze loopt de hele dag in haar ochtendjas. Ze heeft de gordijnen stijf dicht. Een week geleden werd er een pakje bezorgd voor mij, en zij had het aangenomen. Omdat ik niet thuis was, kon ik het later ophalen. 's Avonds belde ik bij haar aan, maar ze deed niet open. De volgende dag probeerde ik het nog eens. Weer geen reactie. Toen ik eindelijk gehoor kreeg, deed ze open. Ze keek me van om het hoekje aan. Ze had de deur op een kiertje. Haast kreeg ik de neiging om te zeggen dat ik van de Jehova's Getuigen was. Toen ik zei waar woonde, en wat ik wilde, schuifelde ze terug het huis in en kwam terug met het pakket. De deur deed ze niet veel verder open, de duwde het pakje door de smalle opening tussen de rand van de deur en de deurpost. "Bedankt", zei ik nog. Maar nee hoor. De deur werd dichtgedaan, allerlei sloten hoorde ik gesloten worden.
Een andere buurvrouw heeft een hond. Een grote blonde labrador-achtige sneeuw-sint-bernard-retriever. Aangezien de hond al zo'n zes jaar geen bad meer van dichtbij heeft gezien, draagt het beest een lucht bij zich waar een ongewassen bouwvakker spontaan een toeval van zou krijgen. De vrouw lijkt immuum te zijn voor de lucht. Hoe dan ook, ze slaagt erin om tamelijk nonchalant naast de hond te staan en ondertussen met mij te praten. Praten is in dit verband eigenlijk een zware overschatting van de monoloog die op me afgevuurd wordt. Met een hand houdt ze de liftdeur tegen, terwijl ze met de andere hond liefdevol het kleine hokje in probeert te trekken. Een normaal mens zou hier zijn handen al vol aan hebben, maar zij niet. Ze begint druk te praten en slaagt er in die wat alternatieve Yoga-houding in er ook nog bij te gebaren. De hond kijkt dan wat hulpeloos voor zich uit. Alsof hij zeggen wil: "Ik kan er ook niets aan doen..." Gelukkig ontsnap ik iedere keer weer aan haar aandacht, maar als ik haar aandacht heb... Berg je maar.
Met deze verhuizing heb ik weer een vat van nieuwe mensen opengetrokken. Mensen die zich bijzonder goed lenen om beschreven te worden.
vrijdag 31 oktober 2008
Het is zover: waterschapsverkiezingen !
zondag 26 oktober 2008
Eindelijk, eindelijk... Voorbij
Dan, eindelijk, na drie uur wachten hoor ik dat er een trein vanaf Tilburg komt. Een trein. Zouden we dan eindelijk weer gaan rijden ? Diezelfde vraagt ressoneert door de trein. Iedereen stelt dezelfde vraag. Aan mij, aan elkaar en aan iedereen die het maar horen wil. Het blijft bij geruchten. En ik vrees weer voor een dooie mus. Maar die komt niet. Want, gedurende een kwartier loop ik door de trein. Probeer ik mensen te helpen, zo goed als ik kan. En die schokt de trein. Ik hoor gekraak. Even vrees ik voor een nog grotere ramp dan die al was... Maar, die blijft uit. Na meer dan drie uur begint de trein weer te rijden. Eindelijk !
donderdag 16 oktober 2008
En het wachten ging door
maandag 6 oktober 2008
Deze trein rijdt niet verder
Dan, opeens, remt de trein abrupt. Ik kijk verbaasd om me heen. Mijn collega haalt zijn schouders op en roept iets technisch. Ik snap niet waar hij het over heeft en hou me vast aan een van de handgrepen in de trein. De trein begint harder te remmen. Dan een schok komen we tot stilstand. Ik kijk nog een keer naar mijn collega. Hij neemt contact op met de machinist. Door mijn portofoon hoor ik termen als: kapot, technisch probleem... Ik slaak een diepe zucht. Mijn collega staat op en begint door de trein te lopen, niet wetend wat ik doen kan, loop ik achter hem aan. Reizigers kijken ons verbaasd aan, ik kijk verbaasd terug. "Wat is er precies aan de hand ?" vragen ze ons. Ik herhaal de vraag tegen mijn collega, alleen ik krijg geen reactie. Ik blijf achter hem aan lopen, vragen ontwijkend en blikken vermijdend. Ik voel me een beetje rottig. Als we halverwege de trein zijn, draait hij zich om. "Doe je sleutel maar even in het kastje. De loc is kapot" Ik draai de sleutel in het kastje en wil hem nog vragen wat er precies aan de hand is. Die kans krijg ik niet. Hij loopt hard door. Ik kijk verbaasd om mij heen. Tegenover me zit een mevrouw met een hond op schoot angstig om zich heen te kijken. "Wat is er aan de hand meneer" vraagt ze me. Ik glimlach haar vriendelijk toe, hopende dat, dat mijn ontwetendheid iets zal maskeren. Ze geeft haar hond een aai over zijn kop en kijkt een beetje verdwaasd om zich heen. Ik probeer contact op te nemen met mijn collega, maar die geeft niet thuis. Dan klinkt er gekraak uit de omroepinstallatie. "Test, test... - ja, hij doet het- dames en heren, de loc heeft de geest gegeven. Dus, tja, we kunnen even niet verder." Einde bericht. Ik rol mijn ogen en ga zitten. Er gaat een kwartier voorbij. En nog een kwartier. Achter de schuifdeuren vandaan komen allerlei kreten, mensen beginnen heen en weer te lopen. Ik wil ze wel wat vertellen, maar weet ook niets. Ik probeer weer contact op te nemen met mijn collega. "Wacht maar even" is zijn reactie. Dus, ik wacht weer. Met mij ook de 250 reizigers. Er gaat weer een kwartier voorbij. Dan gaan ook de lampen uit. En het wachten kan beginnen...
woensdag 1 oktober 2008
Ik raak altijd alles kwijt
Het stomste is nog altijd dat ik heel boos word op het moment dat ik iets kwijt ben. Ik raak in een soort blinde paniek, ik keer alles ondersteboven en scheld de hele boel bij elkaar. Mijn hele uitgebalanceerde persoonlijkheid gooi ik te grabbel. Een goede vriendin heeft al aardig wat ervaring opgebouwd met het terugvinden van mijn spullen. Laat ik een voorbeeld noemen: men neme een toegangspas, men neme mij. Werp die twee bij elkaar, je voelt hem al aankomen. Kwijt ! Je zal mij met rood hoofd door mijn kamer zien lopen, allerlei verwensingen aan mijn eigen adres in het rond slingerend. Dan is zij daar. Op dat soort momenten zit ze rustig op de bank. Ze neemt de situatie in zich op en denkt er grondig over na. Ze doet een suggestie, ik noem een willekeurige: "Heb je al in je portemonnee gekeken ?" Een verbaasde blik van mijn kant is haar deel. Ik begin als een gek in mijn portemonnee te graaien en vind de pas niet terug. Ze blijft rustig zitten, en pakt dan de portemonnee van me over. Doet hem open, kijkt er even in en pakt dan rustig mijn pasje te voorschijn. Ik kijk, zo mogelijk, nog verbaasder en neem het pasje aan. Zucht, ik word soms zo moe van mezelf.
dinsdag 23 september 2008
Daar zit een luchtje aan
Het is een stuk eenvoudiger om uit te leggen hoe iets eruit ziet. Je kan de kleur en de vorm benoemen. Dan praat het een stuk makkelijker. Wil je daarentegen een persoon omschrijven, gaat het al weer moeilijker. Ik merk dat ik het lastig vind om iemand objectief te beschrijven. Je begint te praten over grote neuzen, vreemd haar of droevige ogen. Een verdwaasde blik is je deel. Misschien dat het net zo is met geuren. Je emoties komen al snel om de hoek kijken. Niet dat je in lachen of tranen uitbarst, maar geheel objectief beschrijven - 't lukt je niet. Ach, dan heb ik het nog niets eens over smaken gehad...
dinsdag 16 september 2008
Als je om je heen kijkt, zie je zoveel
Ik zie ze iedere dag, en zoveel meer...
dinsdag 9 september 2008
Een late ontmoeting
Dan springt er een schim voor me op het pad. Beiden handen gaan in de lucht. Ik probeer te ontwaren wie of wat er voor me staat. Ik rem iets fermer.
“Meneer, pardon...” hoor ik een stem zeggen. Ik stop en doe mijn oortjes uit mijn oor, de muziek speelt door terwijl de mini-luidsprekers op mijn jas rusten. De mevrouw, zo ontdek ik, ziet er moe uit. In het donker zie ik haar jas gescheurd is. Haar broek past niet goed bij de jas. Haar ogen komen niet overeen met de felle kleuren van de shawl die ze om heeft.
“Sorry meneer, ik wilde u niet laten schrikken” zegt ze.
“Dat geeft niet, wat is er? Kan ik u helpen” zeg ik.
Ze kijkt me droevig aan en begint haar verhaal. Af en toe veegt ze haar neus af. Ik luister naar het relaas dat ze me toevertrouwt.
“Ik kom net van de politie, het is misschien een vreemd verhaal. Maar ik weet even niet wat ik moet, en ik zag u zo fietsen en vroeg me af of u me helpen kan”
Ik kijk haar verbaasd aan en knik haar begrijpend toe.
“Ze zeggen dat ze niets voor me kunnen doen. Maar ik ben zo bang. Mijn ex rijdt hier ook ergens rond, en ik ben bang voor hem. Ik heb het adres van een Blijf Van Mijn Lijf-huis, kent u dat ?”
“Jawel, maar wat kan ik dan voor u doen ?”
“Wel, ze zeggen dat het helemaal in Enschede is, en ik weet niet hoe ik er naartoe moet. Maar hier wil ik niet blijven... Als u een paar euro hebt, ik heb niet genoeg voor een treinkaartje.”
Ze ziet er gehavend uit, haar haar zit door de war. Ze heeft het weggestopt onder een muts die haar oren net niet bedekt. De oren, die zitten vol met allerlei prullaria, het glanst in het licht van de straatlantaarns.
“Heeft u wat geld voor me ?” vervolgt ze haar verhaal. Ik neem haar eens goed in me op. Ze ziet er oprecht bang uit. De angst straalt uit haar ogen. Haar handen trillen en tranen branden in haar ogen. Ik kijk om me heen. Voel me ineens ook niet zo veilig meer. Ik wil geld pakken, maar bedenk me dat ik niets meer bij me heb. De laatste trein heeft ze ook gemist. Enschede bereiken zal niet meer lukken, realiseer ik me. Ik zeg het haar.
Haar ogen kijken me verschrikt aan.
“Ik kan toch niet onder een brug slapen ?”
Mijn hersenen draaien op volle toeren. Waar kan deze vrouw slapen ? Vraag ik me af. Dan herinner ik me ineens dat er pal achter ons een gebouw van het Leger Des Heils staat. Ik denk heel even na, en raad haar dan aan daar naartoe te gaan.
Een zucht van verlichting klinkt uit haar mond. Ze kijkt me dankbaar en loopt dan in de richting waar ik haar heen stuur. Ik kijk haar even na en stap dan weer op mijn fiets. De muziek zet ik uit en rij richting mijn huis. Ik kan even niet meer lachen. Ik weet niet zo goed wat ik denken moet. Ik twijfel aan het verhaal dat ik hoorde, maar maak me wel zorgen over deze vrouw en wat haar overkomen is. Terwijl ik verder fiets bedenk ik me hoe goed ik het heb. Maar ook hoe oneerlijk het is. Ik bedenk me hoeveel anderen er op diezelfde manier rondlopen. Zonder geld, zonder vrienden, zonder iemand. Ze hebben buiten zichzelf misschien wel niemand meer. Mijn stemming slaat om, ik fiets door. Kijk niet meer om me heen, maar trap flink door naar huis. Voor die vrouw hoop en bid ik dat het goed zal komen. Ik hoop en bid het. Oprecht.
donderdag 4 september 2008
Zomaar een gesprek uit de trein
"Aha, echt waar joh?"
"Ja, ze zeggen het allemaal. Niet dat het me wat doet natuurlijk. Ze zeggen dat ik veel praat, dat ik haast niet te stoppen ben. Sommige mensen vinden me zelfs irritant. Snap jij dat nou?"
"Mwoah..."
"Maar goed. Hoe gaat het eigenlijk met jou?"
"Goed, ik ben net begonnen op een nieuwe job. Je weet wel, dat grote bedrijf bij die brug in de buurt van het huis waar Richard nog eens zou gaan wonen"
"Oh ja, leuk huis was dat hè?"
"Ja, nou ja, leuk. Beetje klein. Hoe gaat het eigenlijk met je vriend?"
"Goed, goed. Lekker hoor. Hij heeft het telkens over zijn ex-vriendin"
"Haha, echt joh?"
"Ja, haha, grappig hè? Hij vergelijkt ons met elkaar"
"Oh, echt waar joh? Lijken jullie zoveel op elkaar?"
"Haha, niet echt. Naja, dat is natuurlijk ook niet helemaal waar. We hebben allebei blond haar, praten best veel. Zij heeft zo'n rare neus, je weet wel, zo'n grote"
"Jij niet dan?"
"Nee"
"Oh..."
"Of wil je zeggen dat ik een grote neus heb? Is dat wat je bedoelt. Ik heb toch geen grote neus? Kijk maar..."
"Okay, hij is niet zo heel groot"
"Nee, nou dan. Haar neus is echt groot. Niet normaal meer hoor..."
"Er valt zo'n schaduw over haar gezicht"
"Whahaha, inderdaad. Grappig toch"
"Je zal 't maar hebben"
"Oh ja, was dat vroeger niet zo'n programma op tv?"
"Wat was een tv-programma?"
"Dat wat jij net noemde"
"Wat noemde ik dan?"
"Een tv-programma. Nee? Nou ja, in ieder geval, zoals ik dus zei, ik weet het niet"
"Wat weet je niet?"
"Wat ik vanavond ga eten"
"Eten? Oh ja, tja, dat weet ik ook niet"
"Wel gezellig om zo weer es met je te praten"
"Gezellig hoor"
"'t Is ook zo'n tijd terug"
"Daarom"
"Ik heb echt gevoel dat onze gesprekken altijd ergens over gaan"
"Nou... wat je zegt..."
dinsdag 26 augustus 2008
Hokjes en vakjes
Ik heb de neiging om mensen in vakjes te plaatsen. Het maakt het leven een stuk overzichtelijker.
maandag 25 augustus 2008
Het einde is voor andere enkel het begin
Even verderop stonden ze ook op. Wasten zich, zich afvragend wat de zin van het alles was. Liepen naar buiten, merkten het zonlicht niets eens op. Keken naar boven, vroegen zich af waar ze werkelijk heen gingen. Misschien dat ze door het bos liepen, misschien dat ze luisterden naar het gefluit van de vogels. Misschien dat het hen niet eens opviel. Misschien hoorden ze het niet eens. Ze liepen door. Als door een ongrijpbaar gevoel gegrepen, murwgeslagen door hun emoties. Al dood voor ze stierven. Ze liepen doelgericht, automatisch op hun doel af. Ze stonden daar, keken waarschijnlijk niets eens meer op of om. Ze stonden daar, wachtend... Hopend op verlossing.
En zij zaten, keken op het tafereel voor zich. Vroegen zich misschien af wat ze eten zouden die avond. Of wat ze kopen moesten voor die verjaardag van binnenkort.
En toen was er een klap. En klap die een lijden zou beëindigen, maar een ander zou beginnen.
Drie levens beëindigd, de andere drie getekend. Niet voor even, maar voor altijd.
zaterdag 23 augustus 2008
Een gedachtenstroom die zich niet laat bedwingen
dinsdag 12 augustus 2008
Het dorp
Als ik dan weer es op de fiets zit, dwars door de velden en bossen, slaat de twijfel ongenadig toe. Herinneringen borrelen naar boven in me. Ik zit ineens niet meer op de fiets, maar loop over een pad langs een veld. Een veld vol koren, omgeven door oude huizen met rieten daken. Witte was wappert in de wind. Stokrozen groeien tegen de muren van de huizen. Een hond rent voor me uit. Ze achtervolgt de bladeren en probeert ze te vangen. De zon staat hoog aan de hemel en brandt me vooruit. De wind blaast over het veld en speelt spelletjes met het gouden koren dat er flexibel meespeelt. De zon door het koren stralen in het gouden licht. Eenzelfde gouden gloed is op mijn gezicht. Ik koester me in de warmte. Af en toe blaas ik een vliegje van mijn neus. De hond rent terug en springt tegen me op. Ik kijk even om me heen en zie dat niemand naar me kijkt. Behalve de hond, ze kijkt me uitdagend aan. Dus zet ik het op een lopen, ik ren achter haar aan. Ze rent luid blaffend voor me uit. Draait af en toe een rondje om heen en neemt dan een sprint. Ik ren achter haar aan, door het hek een boomgaard binnen. De hond rent als een, tja als een wat eigenlijk, een jonge hond dwars door de bomenrijen. Ik kijk weer even om heen en pluk dan een van de appels en poets hem schoon op mijn broek. Dan neem ik een hap en laat me neerploffen op het gras. De zon verstopt zich achter de bomen met fruit. Ik geniet van de schaduw en het briesje dat over mijn gezicht waait. Totdat de hond weer terug is, ze springt bovenop me en praat blaffend tegen me. Het blaffen verdwijnt naar de achtergrond. Langzaam vervaagt het hele beeld, de korenvelden verdwijnen achter de horizon. De appelbomen zijn er niet meer. Niets van dat al.
Ik ontwaak uit mijn gedroom en fiets weer door. De zon is er, de wind blaast me in het gezicht, de hond. Die is er niet.
Maar met een glimlach op mijn gezicht fiets ik terug naar huis. Via een omweg want, die drukte, bedrijvigheid en dat tempo... Dat kan me even gestolen worden.
maandag 28 juli 2008
Wil je je een keer vervelen...
donderdag 10 juli 2008
En ik droom nog steeds
Zodra ik wakker werd, sloeg de realiteit hard en genadeloos toe. Op de kleine schermen schoot voorbij, de ellende en armoede in de wereld. Een machteloosheid had me in zijn greep. Diep van binnen wilde ik het veranderen. 'Wees de verandering die je zien wilt' zei iemand me ooit. En ik probeer het, ik engageer me ervoor, maar ik schiet hopeloos tekort. Telkens weer verlies ik me in egoïsme dat ieder ten deel valt. Ik wil het wel, maar kan het niet. Ik vraag me af wat we moeten doen om echt een verandering te bewerkstelligen. Als we ons allemaal zouden inzetten, zou het dan lukken. Zou het ? In mijn jonge leven heb ik al met veel mensen gesproken. Iedereen heeft zijn visie, verrassende inzichten en meer. Inmiddels ben ik erachter dat achter iedereen gezicht een verhaal schuilgaat. Verbaasd hoor ik verhalen aan, verhalen over levens die anders liepen dan gepland. Terwijl ik vroeger altijd dacht dat als je groot was, alles gewoon goed zou gaan. De mensen die voor me liepen op het trotoir leken een toonbeeld van volmaakt geluk. Zij hadden een baan, een huis en een man of vrouw om van te houden. Nu hoor ik verhalen van stukgelopen liefdes, hernieuwde liefdes of liefdes die niet mochten of konden. Het grote verdriet dat iedere avond van het beeldscherm spat, staat in geen verhouding tot het kleine verdriet dat ik iedere dag hoor.
En soms droom ik nog. Laat ik me meevoeren naar een wereld ver van hier, een wereld zonder ellende en armoede. Een wereld van volmaakt geluk. Hoe ver is die wereld van hier. Zullen we er ooit komen ?
zaterdag 28 juni 2008
Kalverliefde - De Verjaardag / Deel III
De overstappen gingen goed en rond elf uur kwam ik in Den Helder aan. Ik zag haar moeder al op het perron staan. Naast haar stond Nathalie me toe te glimlachen. Ik glimlachte terug en versnelde mijn pas iets. 'Hey, ben je daar eindelijk' zei ze. En ik straalde van oor tot oor. Ik voelde me best trots, zo helemaal alleen met de trein helemaal naar het noorden. We stapten in de auto en ik ging achterin naast Nathalie zitten, ze schoof tegen me aan en pakte mijn hand vast. Ik had niets te zeggen, ik voelde me een beetje suf. Ze kneep me in mijn hand en vroeg me hoe de reis was geweest. 'Het was leuk, maar wel lang' 'Oh, dat is minder' We staarden synchroon naar voren. Haar moeder keek af en toe goedkeurend naar de achterbank en wisselde blikken van verstandhouding met Nathalie die deed of haar neus bloedde. Ik wist ook niet wat ik zeggen moest. We hadden elkaar al twee weken niet gezien en ik had de nacht voor het bezoek geen oog dichtgedaan. Ik had wel honderd keer op mijn wekker gekeken. Was zelfs een paar keer uit bed gesprongen om te controleren of de wekker wel op het juiste uur stond. Telkens stond hij nog goed. Ik had liggen draaien, was veel te vaak naar de wc gegaan. Had mijn spullen nog eens goed gelegd. Ik had een cadeautje gekocht, of nou ja, cadeautje... Een cadeaubon van een groot warenhuis. Ze wilde spullen voor het middelbaar, had ze gezegd. Ik wist niet waar ze van hield. Dus liet ik de keuze maar aan haar.
Een week daarvoor wist ik nog niet eens dat ze jarig was op de die dag. Maar ze had me er subtiel aan herinnerd. Een paar dagen van te voren kreeg ik een kaart. Hij zat in een roze envelop die ik verbaasd had geopend. In haar handschrift stond daar mijn naam. Met 'lieve' ervoor. Zelfs toen ik hem las, voelde ik me weer rood worden. Mijn ouders hadden gevraagd van wie hij was. Ik wilde het eerst niet zeggen, dus zei ik maar: 'Van iemand die jullie toch niet kennen'. Maar ze hadden doorgevraagd. Mijn vader was eerst niet zo enthousiast over een reis van mij naar Den Helder, maar mijn moeder praatte hem om. Ik was zo blij als ik maar zijn kon.
'We zijn er, kijk maar, daar woon ik' Met een schok werd ik wakker uit mijn dagdroom en keek rechts van me. Daar stond haar huis. Een huis zoals zo velen. Maar ik zag er fietsen voor de deur staan. Veel fietsen. Allerlei felgekleurde fietstassen en stickers zaten op die fietsen. Ik stapte uit de auto en stond wat onwennig op mijn benen te draaien. 'Kom mee' zei ze, en weer pakte ze mijn hand. 'Jullie hebben een mooie tuin' zei ik, wijzend naar hun sfeervol met straatstenen afgewerkt hofje voor het huis. Ze keek me verbaasd en aan en begon toen te lachen. Ik liep, of liever, werd meegesleept door Nathalie naar de deur. 'Al mijn vrienden zijn er al, ik wil ze graag aan je voorstellen'. Met het uitspreken van dat zinnetje bracht ze opnieuw een rode kleur op mijn wangen. Ik voelde me al langzaam onzeker worden. Hopeloos was ik, met nieuwe mensen. Nooit wist ik wat te zeggen, ik keek altijd maar een beetje naar mijn schoenen. Hopende dat de nieuwe mensen dan zouden weggaan of, beter nog, op zouden lossen. Deze keer zou ik er niet zo gemakkelijk van af komen. Waarschijnlijk zou ik handen moeten schudden, mensen moeten kussen wiens bestaan daarvoor mij nog volslagen onbekend was. Maar, ik vermande mezelf en stapte zelfverzekerd de kamer binnen. Nathalie ging voor me uit. Enthousiast kussend en handenschuddend baande ze de weg voor. Ze was precies zoals ze was toen ik haar voor het eerst ontmoette. Ik probeerde haar voorbeeld te volgen, maar op een bepaalde manier zag het er bij mij een beetje onbeholpen uit. Het werd ook stil in de kamer. Alle ogen waren op mij gericht. Ik wilde weer naar mijn schoenen te kijken. Maar, dat lukte niet. In plaats daarvan concentreerde ik me op een, vreemd genoeg, kerstbal die tegen het raam hing. Een kerstbal ? vroeg ik me af, het is toch juli ? Het deed niets af aan de blikken die me aanstaarden. Ik verzamelde al mijn moed en zei toen, iets luider dan ik wilde: 'Hallo en gefeliciteerd allemaal' Het bleef ook stil. Voor een moment zei niemand iets. Ze bleven me aankijken. Toen klonk uit de hoek van de kamer een lach. 'Haha, die is niet van hier' De anderen grinnikten en knikten instemmend. De stilte was voorbij, iedereen begon weer te praten met elkaar. Ik haalde opgelucht adem en nam een slok van de cola die me ondertussen in de hand gedrukt was. Gelukkig, dat was alvast achter de rug. Ik ging met een gerust hart zitten, Nathalie naast mij. Ze kneep me in de hand en kuste me op mijn wang en zei: 'Ik ben blij dat je er bent'. En dat was ik ook. Blij dat ik daar was.
zondag 22 juni 2008
Kalverliefde - De Openbaring / Deel II
"... toch ?" klonk er ineens naast me. Ik was diep in gedachten verzonken en had dus geen flauw vermoeden wat er gezegd was. Op goed geluk knikte ik. Resoluut stak ze de straat over. Verbaasd liep ik achter haar aan. Een auto kon me nog op het nippertje ontwijken. Niet dat dat me opviel want ik staarde dromerig naar haar krullen die dansten in de wind. Ze dook tussen wat struikjes door een grasveldje op. Een klap van een tak in mijn gezicht bracht me terug in de werkelijkheid. Waar waren we, vroeg ik me af. Ik kende het hier helemaal niet. We liepen over het veldje naar een zandbak. Daar gingen we op het randje zitten. Nathalie keek me strak aan. Ik keek terug, maar moest al snel mijn ogen neerslaan. "Dus, je bent niet verliefd" zei ze, zonder haar blik af te wenden. Twee helderblauwe ogen schenen dwars door me heen te kijken. "Neuh..." mompelde ik nog maar een keer. Mijn ogen verriedden dat ik niet de waarheid sprak. " Ik geloof je niet" zei ze. "Toch is het zo" antwoordde ik zo zelfverzekerd mogelijk. Ik probeerde overtuigend te klinken, maar het lukte met niet zo goed als anders. Ik stelde ons al voor, samen wandelend door Houten, waar ik toen woonde. Ik zou dan samen met haar een zak snoep gaan kopen, die samen opeten terwijl we naar muziek uit mijn cassetterecorder luisterden. Ze zou dan bij mij komen logeren, we zouden kletsen totdat mijn vader boos naar boven zou komen lopen en zeggen dat we op moesten houden.
"Als jij het zegt, zeg ik het ook" ze wist van geen ophouden. "Okay" ik kon mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Of hard wegrennen. Maar ze zou achter me aankomen. Ik kende haar nog lang niet goed, maar ze was een doorzetter. Dat had ik al door. "Als jij het nou op de grond schrijft, veeg ik het weg en zet ik de naam van de jongen die ik leuk vind er neer" Wat een idee ! Ik vond het een goed idee. Ik zou dan, als de spanning te groot werd, weg kunnen rennen. Alsnog. En ik hoopte dat ze me niet zou achtervolgen die keer. Ze stond op, keek me een keer nadrukkelijk aan en stak haar tong uit. "Ik wacht wel" zei ze terwijl ze een eindje wegliep. Ik voelde me hart in mijn keel bonzen. Nu moest ik het gaan schrijven. Maar, hoe schrijf je haar naam eigenlijk, bedacht ik me. Dat wist ik niet eens. Ik stond ook langzaam op, keek om heen, op zoek naar een tak of stok waarmee ik in het zand zou kunnen schrijven. Toen ik er een had, ging ik op mijn knieen in het zand zitten. Was dit nou wel slim ? Maar ach, wat had ik te verliezen. Met trillende hand schreef ik haar naam in het zand. Eronder schreef ik nog maar: ik weet niet of ik het goed geschreven heb. Toen draaide ik me om en liep naar haar toe. Met een knalrooie kop gaf ik de stok aan haar. Zonder iets te zeggen, liep ze langs me heen. Naar het zand. Ze knielde om te zien wat er stond. Mijn hart bonsde zo mogelijk nog harder dan eerst. Wat zou ze denken, vroeg ik me in stilte af. Ze veegde het uit, zag ik vanuit de verte. Ik zag haar met de stok in het zand tekenen. Wat zou ze schrijven... Langzaam kwam ze teruglopen, met een rood hoofd en een grote glimlach op haar gezicht. De stok brak ze demonstratief in tweeen. "Kijk maar" Dus, ditmaal liep ik langs haar heen. Met knikkende knieen over het grasveld. Het leek wel een marathon die ik moest lopen voor ik er was. Aangekomen bij het zandbakje, durfde ik haast niet naar beneden te kijken. Bovenaan stond: je hebt het goed geschreven. En daaronder. Ik wreef in mijn ogen, keek nog een keer er daar stonden de vier letters. Ook goed geschreven. Ik keek nog eens, om me ervan te vergewissen dat het er echt stond. Toen draaide ik me om en liep ook terug. De roodheid was weg, ik liep wat zelfverzekerder. "Kom" zei ik, "we gaan naar huis".
vrijdag 20 juni 2008
Kalverliefde - De Ontmoeting / Deel I
't Zal in 1996 geweest zijn, ik was 12 jaar oud en logeerde nog bij mijn oma. Op een zaterdag gingen wij, naar goed gebruik, op verjaardagsvisite bij een oudtante in Bussum. 's Ochtends stapten we in de trein naar Bussum. Ik had er totaal geen zin in, want ik zag me alweer uren voor me uit staren. De verjaardagen waren altijd een vreugdevol weerzien van de familie die van heinde en verre kwamen om het goede mens te feliciteren. Ik kende weinig mensen op dat soort gelegenheden, ik verveelde me stierlijk.
Vanaf het station liepen we in ferme tred naar het huis van mijn oudtante. Daar aangekomen feliciteerden we het gezelschap door iedereen driemaal op de wang te kussen. Iedereen zat al netjes in een kringetje rondom de eikenhoutentafel. Een geroezemoes steeg op uit de kring. Men had het over ziektes, huwelijken, overlijdens en meer van dat soort verjaarspraat. Mijn oma zette zich strategisch, iets uit het midden van de cirkel, om geen moment van het feest te missen. Ik ging naast haar zitten en at schuldbewust mijn cakeje op, met ranja en een rietje. Ik bedacht me wat ik doen zou. Gelukkig begon een van mijn ooms enthousiast af te wassen. Ik sprong op om hem te helpen. Terwijl ik druk balancerend de meest lelijke kopjes stond af te drogen, ging achter mij een deur open. Van schrik keilde ik zowat het lelijkste kopje naar de eeuwige jachtvelden. Ik draaide me om, om te zien wie de aanstichter was van mijn schrik.
“Lukt het een beetje?” Te verbijsterd om te reageren, staarde ik haar schaapachtig aan. Tot die dag geloofde ik in mijn jonge leven nog niet in liefde op het eerste gezicht. Maar zij veranderde dat. Ik voelde mijn gezicht van kleur veranderen, ik sloeg mijn ogen neer. In mijn buik begon een kudde vlinders zich te verroeren. Ik wist niet waar ik naar moest kijken. Het maakte haar niet uit, ze liep langs me heen naar buiten. Op weg naar het inmiddels verplaatste feestje.
“Hé Nathalie”, hoorde ik mijn neef schreeuwen. De goede man zag altijd aanleiding om te schreeuwen. Hoe druk het ook was, hoe stil het ook was, de man schreeuwde. De hele massa keek op, Nathalie groette iedereen netjes terug en ging al zoenend de kring rond.
Waarom kende ik dit meisje niet, wie was zij ? Ik leunde om mijn oom heen, en tuurde door het grijs-groen gekleurde horgordijn naar buiten. Midden in het gezicht van Nathalie, breed grijnzend keek ze terug. Weer voelde ik mijn hoofd rood worden. Snel draaide ik mijn hoofd terug. Mijn oom stond een heel verhandeling over de oorlog in Bosnië te houden. Ik snapte er geen snars van, maar het interesseerde me ook niet. Ik had alleen oog voor het mysterieuze meisje dat daarbuiten de show stal. In mijn hoofd ging van alles met een noodvaart van links naar rechts. Hoe kreeg ik haar onverdeelde aandacht ?
Na de afwas ging ik weer naast mijn oma zitten. Die zat nog steeds goed gesitueerd tot het feestgedruis, dat gezien haar gehoorkwaliteit inmiddels verworden was tot en monotoon gezoem ergens in de verte. Toch slaagde ze er telkens weer in geïnteresseerd te luisteren naar iets dat voor haar moet klinken als een Boeing op 10 kilometer hoogte. Terwijl ik daar zat, nam ik een besluit. Ik had toch niets te verliezen, maar een meisje is voor een twaalfjarig jongetje ook al heel belangrijk. Ik zou haar dus moeten spreken, wat zei ik, ik móest haar spreken. Hoe dan ook. Ik besloot om onbereikbaar te spelen. Daar had ik ooit iets over gehoord, ik besloot dat dat de beste methode zou zijn. Dus zuchtte ik diep en stond op. “Zo” zei ik zo zelfverzekerd mogelijk, “ik ga even een eindje lopen”.
Achter het huis stonden een tweetal betonnen containers. Daarbovenop zitten, leek mij de beste manier om haar aandacht te krijgen. Ik zou dan een aantal keer kuchen en zuchten. Misschien zou ik zelfs fluiten, dan zou ze vast komen.
En ja hoor, na een kwartiertje, dat een uur leek te duren, ging de poortdeur open. “Hoi” zei ze en ze sprong naast me op de container. “Hoe heet jij dan?” Ik was even uit het veld geslagen, maar wist toch nog te antwoorden. “Oh, en ik heet Nathalie, maar dat wist je vast al”. Ik zal er stom bij hebben gezeten, staarde haar dom aan. “Kan je het zien?” vroeg ze, “Ken jij de buurt hier een beetje, ik heb wel zin om de boel te verkennen”. Ik mompelde iets bevestigends en sprong de container af, “Kom mee” zei ik terwijl ik al begon te lopen. En daar liepen we dan, naast elkaar door Bussum. Ik zei niet veel, zij des te meer. Ik had het idee dat ik bijna licht gaf in het donker, zo rood was ik. Ik zocht naar woorden om te zeggen, maar het enige wat ik scheen te kunnen doen, was vreemde klanken uitstoten. Ik was het eens met alles wat ze zei. Was ik mijn tong verloren, wat was er toch aan de hand ? Maar Nathalie liet zich door niemand tegenhouden en rende haast door het dorp. Ik strompelde er wat onbeholpen achteraan.
En toen, zomaar opeens, vroeg ze: “Heb jij eigenlijk een vriendinnetje?” Ik was weer uit het veld geslagen, zoveel directheid was ik niet gewend. “Neuh...” antwoordde ik. “En jij dan?” Tot mijn grote vreugde antwoordde ze ontkennend. Inmiddels waren we bij het speeltuintje aangekomen, ik ging zitten op een van de schommels en begon nonchalant te schommelen. Nathalie ging naast me zitten en praatte honderduit over van alles en nog wat. Ik probeerde te voorkomen dat ik telkens naast me keek en schudde in plaats daarvan telkens heftig mijn hoofd. Ik probeerde aandachtig te luisteren, maar dat idee leek bij voorbaat al verloren. “Ben je verliefd?” vroeg ze me. Mijn hoofd werd nog net iets roder dan het al was. “Tja” stamelde ik, “misschien”. “Ik wel”, zei ze, “nog niet zo lang” Ik wist niet waar ik moest kijken. Maar een nieuwe missie doemde op aan de horizon. Ik moest en zou weten wie haar hart sneller deed kloppen. Stiekem hoopte ik dat ik die persoon was, maar ik besloot dat ik mezelf niet gek zou laten maken. Dus overwon ik mijn schroom en vroeg haar wie ze dan zo leuk vond. “Ja, dat zou jij wel willen weten hè” zei ze, om het spannend te houden. Mijn missie was weer iets moeilijker geworden, want nu wilde ik hoe dan ook weten wie het was. Ik zou hem gaan stalken, ik zou hem vertellen dat hij geen kans maakte. Ik had het al helemaal uitgedacht hoe ik het zou aanpakken. Maar er zou weinig van terecht komen.
vrijdag 6 juni 2008
Och, de trein is zo fijn !
zaterdag 31 mei 2008
EHBO, mijn lust en mijn leven ?
Mijn werkgever had daar duidelijk een andere kijk op. Een aantal weken terug kreeg ik een brief in de bus. Of ik binnenkort een cursus EHBO wilde volgen. Ik voelde het bloed al langzaam uit mijn hoofd wegtrekken. Beelden van bebloedde, verbrandde en anderszins verminkte mensen trokken aan mijn netvlies voorbij. Maar, een keuze had ik niet. Ik moest hoe dan ook. Dus, daar ging ik. Met frisse tegenzin toog ik naar Amersfoort om aldaar de fijne kneepjes van het vak te leren. Het leek me verstandig van tevoren genoeg koffie te drinken. Vandaar dat mijn ogen niet onderdeden voor de gemiddelde coke-snuiver. Haast onnatuurlijk opgewekt stapte ik het lokaal binnen. Een vriendelijke dame zei me gedag en vroeg mijn naam en alle gegevens. Na zowat mijn complete c.v. te hebben ingediend nam ik plaats. Naast me zat een collega een beetje glazig voor zich uit te staren. Ze knikte me na een tijdje bemoedigend toe. 'Dit heb ik allemaal al gedaan' vertrouwde ze me toe. Ik knikte terug, met mijn hoofd, en ach, mijn knieën deden ook een maatje mee.
'Mijn naam is Gerrie en dit is de lotus' Ik keek langs de cursusleidster midden in het gezicht van een, in mijn ogen, gemeen lachend vrouwtje. Achter haar op tafel stond een koffer volgepropt met allerlei attributen die nog het meest op de vleesafdeling van Dirk Van Den Broek na een storm leek. De ochtend zouden we vullen met theorie en dan, na de lunch, gingen we reanimeren. Met elkaar. Verschrikt keek ik om me heen. Moest ik dan de lotus terug te leven gaan wekken ? Maar na de lunch gooide de cursusleidster gelukkig een grote koffer op de grond, die het levenloze lichaam van Annie scheen te bevatten. We sloegen enthousiast aan het beademen en drukke de borst van Annie ferm op en neer. Een vervaarlijk krakje klonk, toen het mijn beurt was. Maar, al met al voelde ik mijn zelfvertrouwen toenemen. Gelukkig, verzuchte ik, als het zo allemaal door blijft gaan, heb ik me voor niets zo druk gemaakt. Nog bijkomend van mijn reanimatie-poging ging ik zitten naast mijn collega. Maar toen gebeurde het... Geheel onverwacht zwaaide de deur op. In de opening stond de lotus. De arm geheel onder het bloed. Een mes nog in de hand. Verbijsterd keek ik haar aan. Het bloed verdween, zo leek het, volledig uit mijn hoofd. 'Ik heb me vreselijk gesneden' zei ze, terwijl ze tegen de cursusleidster op sprong als een jonge loopse poedel. Ik probeerde mijn aandacht af te leiden door links van me te kijken. Maar daar zat net diezelfde collega diep verzonken in een cursusboekje van de brandwondenstichting. Ik wist niet waar ik moest kijken. Ik wilde help zeggen, maar kon het niet. Alleen een vreemde piepje ontsnapte aan mijn keel. Ik nam een slok koffie, niet realiserend dat ik daarmee mijn slokdarm verhitte tot 180 graden. Half rochelend en gorgelend verdiepte ik me in de gratis krant die ik als een zeewering voor mijn gezicht hield. Achter de krant vandaan kwamen de vreselijkste kreten. Ik concentreerde me op een artikel over incontinentie bij zeehonden. Niet wetend dat ik dat interessant vond. Toen ik het artikel uit had, was het bloeden gestopt. De vrouw keek tevreden voor zich uit, met de arm in een mitella. Ik voelde het bloed weer terugstromen daar waar het hoort.
Aan het einde van de dag zat ik in de trein. Ik bedacht me: nee, ik ben geen held. Ik ben gewoon een gevoelig jongentje dat niet tegen bloed kan. En ik denk dat ik dat maar zo hou...
zondag 11 mei 2008
De protestante boer en de katholieke priester
De daaropvolgende week zoekt de boer weer naar de priester, deze staat bij een paard te bidden. Hij heeft een emmer water in de hand, waarmee hij het paard besprenkelt. De boer wrijft in zijn handen en zet al zijn geld in op het paard. In spanning gaat hij zitten kijken naar de wedstrijd. De signaal gaat, alle paarden beginnen te rennen. Ook het besprenkelde paard begint te rennen, maar valt dan op 10 meter voor de finish dood neer. De boer kijkt verbijsterd toe. Als de wedstrijd gedaan is, loopt hij geïrriteerd naar de priester.
"Wat is dat nou ? Je had hem toch gezegend ?"
De priester kijkt hem verbaasd aan, schudt dan zijn hoofd en zegt:
"Dat is nou dat probleem met jullie protestanten... Jullie weten het verschil niet tussen een gebed en de laatste sacramenten..."
vrijdag 2 mei 2008
Ken je dat gevoel ?
maandag 28 april 2008
Een perfecte wereld ?
En toen werd ik wakker, ik wreef de slaap uit mijn ogen. Keek om me heen. De vogels floten nog steeds, de wind waaide om het huis. Even geloofde ik het. Even hoopte ik dat het waar was. In plaats daarvan hoorde ik het nieuws. Een vrouw opgesloten in een kelder, misbruikt door de man die haar zou moeten beschermen. Oorlog in elke denkbare uithoek van de planeet. Ik wil me weer omdraaien, terug naar die andere wereld. Maar, die was er niet meer. Die andere wereld is nog zo ver weg...
zaterdag 26 april 2008
Eigenlijk moest die avond nooit voorbij gaan...
De trein komt langzaam tot stilstand. Om me heen zijn mensen in feeststemming, ze dragen vreemde oranje-gekleurde kleding en juichen om het minste of geringste. Ik doe mijn shirt nog eens goed, veeg het stof van mijn jas. Strijk met mijn handen over mijn broek en sta op. Enigzins onzeker stap ik de trein uit. Jij staat er nog niet. Je weet ook niet dat ik daar zou aankomen. Je weet wel dat ik komen zal, maar wist niet waar. Je staat beneden, je glimlach stralend en mooi als altijd. Dat realiseer ik me nog niet. Je schudt me de hand. Ik voel me onzeker, maar loop met je mee het station uit. Beiden moeten we nog geld halen bij de bank. Onderwel we lopen, verbaas ik me over de situatie. Ik kan me niet herinneren ooit zoiets te hebben meegemaakt. Jij kent de weg hier wel. Zelfverzekerd loop je door de stad. Je vertelt ronduit over de stad die duidelijk een warme plaats in je hart heeft. Ik luister naar je woorden, de klank in je stem en bedenk me dat ik het steeds leuker begin te vinden... met jou. We stappen een restaurant binnen, we gaan zitten en bestellen een drankje. Jij bent nog steeds niet uitgepraat. Je stelt me vragen, ik probeer ze te beantwoorden. Ik kijk naar je, en luister nog steeds naar je. Als je opstaat, en even weggaat, denk ik na. Gebeurt dit echt ? Ik besluit het mezelf niet te laten inbeelden en neem een slok van de wijn. Misschien is het de wijn wel, bedenk ik me in stilte. Je komt terug en gaat zitten. Er vallen geen stiltes. Je zegt dat dit ook de eerste keer is voor je, dat het zo gaat.
We pakken onze jassen en staan op. Ik loop volgzaam achter je aan, je kent de weg hier. De weg die ik, zo realiseer ik me later, een beetje kwijt begin te raken. Een einde verderop gaan we zitten en bestellen nog een drankje. Jij drinkt water, want je moet nog rijden. En dan, later op de avond, gaan we terug naar het station. Daar komen we erachter dat ik de laatste trein gemist heb. Dat is me nog nooit gebeurd. Maar het maakt jou niets uit, je brengt me weg. En als ik dan de deur achter me dichtdoe, rij je weg. Ik ga even zitten op de rand van het bed. Zucht diep en vraag me af wat er met me aan de hand is. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Als ik er niet uit kom, sla ik het dekbed over me heen en draai me om. Niet veel vaker val ik zo snel in slaap. Niet eerder met zo'n glimlach op mijn gezicht.
maandag 21 april 2008
Kijk eens om je heen, en lees
die van vandaag naar morgen gaat
en onderdoor
een droom
stroomt het water
schrijver: onbekend
zondag 20 april 2008
Mannen zijn wafels en vrouwen spaghetti
Vrouwen daarentegen, zijn spaghetti. Slierten van emoties en ideeën die in elkaar gewikkeld zijn, met saus erover. 'Een vrouw laat alles door elkaar heenlopen, iedereen wil ze met elkaar verbinden' En doordat ze alles door elkaar heen laat lopen, kan ze ook meerdere dingen tegelijk doen. Ze kan de was ophangen en tegelijkertijd TV kijken, ze kan staan koken en tegelijk bellen met haar vriendin. Wij mannen kunnen dat niet. Ik heb het onderlaatst eens geprobeerd, en ja hoor, het klopt. Terwijl ik allerheftigst zat te typen op MSN, had ik tegen mijn oor een telefoon. Twee gesprekken door elkaar... Aan het begin ging het nog. Maar na verloop van tijd typte ik op de computer datgene wat ik wilde zeggen tegen de persoon aan de telefoon. Je kan je de verwarring voorstellen. Maar, ik geef niet op. Ik wil ook multitasken. In mijn geval betekent dat, dat één van beide taken iets minder goed wordt uitgevoerd. Als ik aan de telefoon zit, kan ik heel goed tegelijkertijd afwassen. Dat gaat nog, want het heeft weinig tot niets met elkaar van doen. TV kijken en bellen ? Dát is weer een héél ander verhaal. Ik probeer het nog wel. Maar vaak ben ik halverwege een zin en weet ik niet meer wat ik zeggen moet... Of wist ik niet meer wat ik aan het zeggen was. Of dat ik überhaupt wel aan het praten was, was het nou de presentator die iets zei over de situatie in Uruzgan ? Of was jij dat nou... Om me eruit te redden stoot ik wat oerkreten in de trant van "Aha.." of "Ja... ja..." uit. Dat helpt het gesprek ook niet echt vooruit. Neerleggen die hap dan maar. Ik moet dan leren dat het óf TV kijken is, óf telefoneren. Maar niet tegelijk, want dát gaat dus niet ! Dan laat ik het teiltje maar weer vollopen en pak de afwasborstel, dat gaat beter samen... Ach, ik ben gewoon een wafel die in vakjes denkt, de die vakjes wil ik ook niet doorbreken. Een mens moet niet willen de dat de room niet meer netjes in de vakjes zit.
maandag 14 april 2008
Wanneer wordt het beter ?
Als ik er langs loop, kan ik bijna niet nalaten om achterom te kijken. Het is een situatie waar ik niets aan kan doen, niets aan kan veranderen. Ze sjokt elke dag haar rondje door de hal. Haar schoenen zijn afgetrapt, versleten tot op de laatste vezel. Haar kleding wekt slechts de suggestie van kleur. Iedere broek die ze draagt heeft dezelfde kleur, haar trui past er eigenlijk niet bij. De tinten van haar kleding komen misschien wel overeen met de gestelheid van haar ziel. Haar gezicht heeft alle expressie verloren.
Het stoort me en maakt me boos. Waarom leef ik in een land dat niet zorgt voor mensen die onderaan de maatschappelijke ladder zijn terechtgekomen ? Mensen lachen om vrouwen als de naamloze vrouw die door een stationshal wandelt. Sommige schelden er zelfs op, rennen hard door. Op weg naar hun huis, hun auto, hun maaltijd, hun duur betaalde baan. Het enige dat nog belangrijk is, is jezelf. We zijn alleen nog bezig met ons eigen gewin. Onze positie, ons loon, ons huis. We schudden ons hoofd, kopen ons schuldgevoel af door donaties aan zogenaamde goede doelen. Tot mijn schande doe ik mee. Ook ik loop hard door. Op weg naar mijn trein, naar mijn huis. Ook ik schud mijn hoofd, of draai het zelfs weg. Weg van de realiteit, wentel me in mijn ideale wereldbeeld. Ik wil het niet geloven. Dat mensen leven op een manier zoals zij doet, dat kán toch niet ? Toch ? Wanneer verandert het...
dinsdag 18 maart 2008
En het kan me ook niets schelen
Waarom worden we tegenwoordig geterroriseerd door elkaar ? De nummer één irritatie in de trein is, u raadt het al, bellen. Jawel, u kent het apparaat wel. Dat kleine geval met microfoon en luidspreker, zo'n apparaat dat we vroeger 'telefoon' noemden, maar dat nu onder de naam 'mobieltje' door het leven gaat.
We schreeuwen allemaal moord en brand als het om onze privacy gaat. Maar, zitten we te bellen, lijkt dat ineens niet meer van belang te zijn. We bellen elkaar om ieder scheet die dwars zit. En iedereen heeft dezelfde naam: Mij. Ja, we nemen zelfverzekerd de telefoon op en zeggen: 'met mij'. Wie anders ?, vraag ik me dan af. Vervolgens veinzen we verbazing als we zeggen: 'Oh Henk, ben jij het ?' We zeggen zelfs onze naam niet meer, dat is ook volkomen overbodig nu iedereen kan zien wie er belt. En als je dacht dat het daarmee gedaan was ? Denk nog maar een keer...
Denk je rustig in de trein te zitten, staar je rustig uit het raam, uit het raam waarlangs de wereld met een noodvaart aan je voorbij trekt... Begint ineens achter je een voltallig filharmonisch orkest te spelen. Vroeger had je daar toch nog een serieus orkest voor nodig. Je kent ze wel, blazers, slagwerkers en een dirigent die als een bezetene staat te zwaaien naar iemand die duidelijk niet van plan is terug te zwaaien. Maar nu niet meer. Het wonder van techniek heeft ook dat stukje nostalgie overbodig gemaakt. Er groeien kinderen op die straks met hun ouders naar de intocht van Sinterklaas staan te kijken. Ze zullen zich verbazen, hun ouders verbijsterd aankijken en zeggen: 'Maar papa, hoe kan dat nou, ze hebben helemaal geen mobieltje ?' Maar goed, ik dwaal af. In zo'n situatie, als in de trein, voltrekt zich vaak het volgende: je draait je verbaasd om, en kijkt midden in het gezicht van een wild in de tas graaiende tiener. Op zoek naar, jawel, het mobieltje. Na een zoektocht van enige seconden, die uren lijken te duren, heeft de gebelde zijn mobieltje getraceerd. De tiener neemt die enthousiast op. Het lukt me met moeite om niet omstandig te zuchten. En hoe ik het ook probeer, ieder woord vang ik op. Een druk gesprek ontspint zich achter me. De diepste zieleroerselen worden op tafel gesmeten, met gemak waar de gemiddelde Gouden Kooi-bewoner zich voor zou schamen. Niets is te zot. Gisteren ook weer, in de trein, in de zogenaamde rust, klinken de vertrouwde beltonen me in de oren. Ik kijk om. En ja hoor, daar zit ze. De notoire beller. Iemand die in zijn eentje complete telecommaatschappijen in leven houdt. Wiens oren inmiddels de vorm aan hebben genomen van een soort platgeslagen paddestoel. De telefoon hoeft ze amper nog vast te houden, die blijft als vanzelf hangen aan de rechter oorlel. Leningen heeft ze nog net niet hoeven afsluiten om de rekeningen te kunnen betalen. Haar rekeningen zijn hoegenaamd de omvang van het bruto nationaal product van een gemiddeld derde wereldland. Meneer Vodafone zie ik al in zijn handen wrijven. Het gesprek gaat over de Liefde. Of nou ja, Liefde die liefde had kunnen zijn. Want 'Merel' heeft 'Joost' gedumpt, gelukkig hoeft de luisteraar niet lang te treuren. Dr Phil-wannabe stelt ons gerust, 'hij was haar toch niet waard, dat weet je toch ?' Net als ik denk dat het gesprek op zijn einde loopt, is er nog een nieuwe agendapunt dat zeker niet vergeten mag worden. 'Wat gaan we doen dan... Ja, zaterdag... Je weet toch... Nee... Zoooo... Dat was echt wel vet... Nee, maar we gaan zeker niet daarheen gaan... (grammatica is ook veel te lastig om te respecteren als je het over de essentiële zaken van het leven hebt) Nee, echt niet hoor...' En zo gaat het nog een kwartiertje door. Ik krijg sterk de aandrang op te springen, de telefoon uit haar handen te rukken, ritueel te verbranden en een prop katoen in haar mond te stoppen. Toch is het wel vermoeiend om telkens maar één kant van het verhaal te horen. Je hoor voortdurend iemand 'ja' en 'nee' zeggen, niets meer en niets minder. Zou die ander dat dan ook doen ? Wat een saai gesprek moet dat zijn...
Zou het nou teveel gevraagd zijn om dat gesprek ergens anders te voeren ? Op de WC of thuis, of op de maan. Huur voor mij een part een hotelkamer. Maar bel niet hier ! Dwing me niet tot dingen te doen die ik eigenlijk niet wil doen. Bel ergens anders. Maar niet bij mij in de coupé. Stoor me er niet mee, vermoei me niet met die onzin. Ga gewoon eens bij elkaar langs, vlieg elkaar in de armen, trek een fles wijn open en heb een goed gesprek. Maar, niet met mij erbij. Alsjeblieft, spaar me die onzin. Alsjeblieft.
zaterdag 8 maart 2008
Misschien ben ik nog niet groot
Ik zie me nog staan, als klein jongentje. Kijkend naar de treinen die voorbij schieten, mensen die wachten op hun trein. Een kopje koffie in de hand. Ik verbaasde me erover, trok een vies gezicht en vroeg me af waarom mensen toch zoiets 'vies' konden drinken. Koffie... Wie drinkt zoiets ? En dan nog zoiets, op verjaardagen zit ik om me heen te kijken. De grote mensen praten over dingen als: een baan, de hiepooteek, belasting of de auto. Dat laatste vind ik nog wel leuk. Auto's vind ik boeiend. Ik spaar thuis kleine autootjes, vooral Mini's vind ik leuk. Maar die grote dingen zijn ook wel leuk, maar waarom zeurt iedereen nou altijd zo over files ? Fieles. Later snap ik dat die mensen niet voor de lol in de rij staan. Kunnen ze niet samen een spelletje gaan doen, bedenk ik me. Of de muziek heel hard zetten en dan meezingen. Dat is toch leuk. Je kan natuurlijk ook de Donald Duck gaan lezen. Of een grote zak snoep kopen en die dan stiekem gaan opeten, achterin de auto.
Ik zag er naar uit. Om alleen te wonen, mijn eigen eten te koken, mijn koelkastje te vullen. Ik zou zelfs een hond hebben willen hebben, om zelf te bepalen wanneer ik die ging uitlaten. En oh ja, ik wilde ook mijn eigen abonnement op de krant, dan zou ik alle strips uitknippen en bewaren. Dat gezeur over je 'hiepooteek', dat begrijp ik niet. Ik ga gewoon in een hut in de boom wonen. Of in de schuur achterin de tuin van mijn ouders. Dat is wel handig, dan kunnen papa en mama ook nog eens op bezoek komen. Servies voor de koffie leen ik wel van m'n zusje. Vijftien jaar later zit ik op de bank, kom ik ook tot de conclusie dat er niets op tv is. Is het abonnement vervangen door nu.nl of een van de vier gratis kranten die ons land rijk is.
En iedereen is getrouwd. Ja, sommige mensen 'wonen samen', maar wat dat is, begreep ik niet. Mijn papa en mama wonen toch ook samen ? Domme grote mensen, ze snappen het zelf niet eens. Ik ga later gewoon trouwen met mijn beste vriendinnetje en dan krijgen we kinderen. Want grote mensen krijgen allemaal kinderen als ze gaan trouwen. Het verbaasde me dan ook wanneer twee van die grote mensen, zodra ze eenmaal getrouwd waren, geen kinderen hadden. Misschien waren ze dan wel niet getrouwd en woonden ze gewoon samen. Want, als je samenwoont, krijg je geen kinderen. Toch ?
Vijftien jaar later snap ik sommige dingen nog niet. En denk ik vertwijfeld: ben ik nu groot ? Ben ik nu volwassen ? Ik voel me zo'n kind nog...